Felix & Sofie  
Home
  Routebeschrijving
Programma
14 mei 2002
9 april 2002
12 maart 2002
12 februari 2002
8 januari 2002
11 december 2001
13 november 2001
9 oktober 2001
11 september 2001
24 juni 2001
12 juni 2001
8 mei 2001
10 april 2001
13 maart 2001
13 februari 2001
9 januari 2001
12 december 2000
14 november 2000
10 oktober 2000
12 september 2000
E-column
Impressies
Nieuws
Organisatie
Ook leuk
Boeken
Mailinglijst
Enquête
Stuur het programma:

Denker/danser

Een dramatische dialoog naar teksten van de filosoof Friedrich Nietzsche (1844-1900) en de danser Vaslav Nijinsky (1889-1950) van Cees Maris (hoogleraar rechtsfilosofie UvA)

Premiere: New York 15.10.2001/ Muziek: Leif Elggren, Talking to a Dead Queen (1994)/ Animatie: Erik Steensma/ VJ: Aspha Bijnaar/ Uitvoering door Cees Maris en Erik van Zuylen
Informatie: Cees Maris (020.6277384 / maris@jur.uva.nl)

SUPERMENSELIJKE LIEFDE
‘Ik heb aan die kwellende ervaringen van deze zomer geleden als aan waanzin. Zij heeft mij behandeld als een studentje van 20 dat verliefd op haar is geworden. Maar wijzen als ik houden enkel van spoken – en wee als ik van een mens houd – ik zou snel aan die liefde te gronde gaan.’ Zo keek Friedrich Nietzsche terug op zijn ongelukkige verhouding met Lou Salomé gedurende de zomer van 1882. Nietzsche (37) viel op het eerste gezicht voor de eenentwintigjarige Russin, ‘scherpzinnig als een adelaar en moedig als een leeuw’, en vroeg haar meteen ten huwelijk. Vergeefs, Lou verkoos een vergeestelijkte driehoeksverhouding met Nietzsche en beider vriend Paul Rée.
Nietzsche’s liefde voor Lou was dubbelzinnig. Men fluistert dat hij eigenlijk meer op Siciliaanse jongens viel. Zelf ontkende hij dat zijn passie erotisch was. Nee, hij begeerde louter filosofische openheid met zijn discipel. Maar Nietzsche roemde ook Lou’s ‘glans en lieftalligheid’. Zijn hartstocht bereikte haar hoogtepunt tijdens een romantische bergbeklimming, waarover Lou later opmerkte: ‘Of ik Nietzsche op de Monte Sacro gekust heb – ik weet het niet meer’. Nietzsche schreef haar: ‘Geest? Wat interesseert mij geest! Ik hecht alleen waarde aan aandriften – en ik zou er een eed op willen doen, dat wij daarin iets gemeenschappelijks hebben’. Hij had wel degelijk zijn zinnen op Lou gezet.
Des te pijnlijker dat ze zijn avances afwees. Nietzsche, teruggeworpen in zijn wereldvreemde eenzaamheid, was zwaar gekrenkt. Tegen de winter was Lou in zijn ogen veranderd in een oppervlakkig roofdier dat de mannelijke zinnelijkheid bespeelde.

Diep depressief probeerde hij zijn zelfrespect te herwinnen. Nu de harde werkelijkheid zoveel weerstand bood, schiep Nietzsche zich een eigen filosofische wereld waarin hij het menselijk tekort triomfantelijk oversteeg. In tien dagen voltooide hij deel I van zijn meesterwerk Aldus sprak Zarathustra: ‘Het bevat een heel scherp getekend portret van mij, zoals ik eruit zou zien zodra ik eens heel mijn last zou hebben afgeworpen.’
Zonder de neerdrukkende ballast van zijn geweten en intellect moest Nietzsche uitgroeien tot de Übermensch of Supermens die Zarathustra aankondigt: een creatief genie dat, God noch gebod erkennend, de middelmatige mensheid zijn wil oplegt om de wereld te herscheppen naar zijn evenbeeld. Uit zijn scheppingskracht ontstaat alle hoge cultuur die het leven de moeite waard maakt. Vrouwen kan deze hypermacho gemakkelijk de baas: ‘Het geluk van de man is: ik wil. Het geluk van de vrouw is: hij wil.’ Advies: Gaat u naar vrouwen? Vergeet dan de zweep niet! Zo zette Nietzsche zijn al te menselijke liefdesverdriet om in haar supermenselijke tegendeel.

Nietzsche’s levensfilosofie verwerpt het socratisch intellectualisme en de christelijke lichaamshaat van de westerse cultuur. Terug naar het voorsocratische Griekenland: een vitale cultuur combineert ‘Apollinische’ vormgeving met de roes van de ‘Dionysische’ dans waarin alles zijn grenzen verliest. Een supermenselijke filosoof denkt niet, hij danst. Vrolijk ontstijgt hij de zwaartekracht van de wetten die hem verbieden zich in het volle leven te storten. Aldus zingt Zarathustra het leven toe: ‘Ik dans je achterna, ik volg je in je lichte spoor. Geef mij je hand! Of slechts een vinger!’ Maar als het leven hem wreed ontglipt: ‘Jij heks, heb ik tot nu toe voor jou gezongen, nu moet jij schreeuwen voor mij! Op de maat van mijn zweep zul je dansen en schreeuwen! Ik vergat toch de zweep niet?’ Daarop geeft het leven zich gewonnen. Vol liefde voor het lot omarmt de supermens het bestaan in al zijn wrede oerkracht.

Als supermens moet je ‘worden wie je bent’, ofwel het beste uit jezelf halen. Maar Nietzsche probeerde juist wanhopig te worden wat hij niet was. Hij mocht een onvermoeibaar wandelaar zijn, hij swingde niet. Naarmate de fictieve Supernietzsche hoger boven hem uitdanste isoleerde zijn bedenker zich dieper in zijn hersenspinsels, tot zijn overspannen geest het in 1889 begaf. In 1900 volgde zijn lichaam.

De sleutel tot Nietzsche’s supermenselijke liefde schuilt in een genealogie die hij op de rand van zijn waanzin fabuleerde: ‘Ik werd geboren op 15 oktober 1844 op het slagveld van Lützen. Mijn voorouders waren Poolse edellieden (Niëzky)’. Deze Niëzky moet niet alleen de voorvader zijn geweest van Nietzsche, maar ook van de Russische danser Nijinsky, wiens ouders eveneens uit Polen stamden. Nijinsky werd geboren in 1889, het jaar dat Nietzsche zijn verstand verloor, en eindigde zijn leven ook in langdurige waanzin. Verder waren ze juist tegenpolen.
Nijinsky was de volmaakte danser waarmee Nietzsche zich in zijn vele dansmetaforen vergeefs vereenzelvigde. Hij werd wereldberoemd met de Russische Balletten van zijn minnaar Serge Diaghilev. Nijinsky excelleerde in lichaamstaal: zijn ballet De namiddag van een faun van 1912 wekte schandaal door zijn dierlijke bewegingen en onaniegebaren. Zijn carrière brak abrupt af toen hij met zijn fan Romola trouwde. Jaloers gooide Diaghilev hem uit zijn dansgroep. De Eerste Wereldoorlog maakte verdere voorstellingen onmogelijk. Nu zijn enige communicatiemiddel, dans, was weggevallen, trok Nijinsky zich terug in waanzin. In Nijinsky’s schizofrene dagboeken duikt Nietzsche regelmatig op als denkend tegendeel van de danser: ‘Dat de mens afstamt van de aap heeft niet Nietzsche gezegd maar Darwin. Ik houd van Nietzsche. Hij zal mij niet begrijpen, want hij denkt. De aap is god in de natuur, want hij heeft gevoel voor bewegingen. Ik heb gevoel voor bewegingen. De mensen denken dat ik krankzinnig zal worden, want ze denken dat ik niet goed bij mijn hoofd ben. Nietzsche was niet goed bij zijn hoofd, want hij dacht. Ik denk niet en daarom ben ik goed bij mijn hoofd’.
Gezien hun wonderlijke identiteit en differentie moeten Nietzsche en Nijinsky afstammen van een gezamenlijke oervader Niëzky: de mythische Supermens die denker en danser, Apollo en Dionysos, in één persoon verenigde. In latere generaties werden lichaam en geest tragisch gescheiden, om afzonderlijk tot eenzijdige hoogtepunten te komen in Nijinsky en Nietzsche. Overeenkomstig Aristophanes’ Erosmythe zochten beiden hun wederhelft teneinde zich te herenigen tot Supermens. Vergeefs, want bovenmenselijke liefde behoort tot een mythische oertijd. Denker en danser sublimeerden hun verlangen naar de Ander in schitterende kunstwerken, maar gingen zelf eenzaam in waanzin ten onder. Is dit het menselijk lot? Volgens Nietzsche’s leer van de Eeuwige Wederkeer keren alle gebeurtenissen in een kringloop terug. Ooit zal Niëzky wederkeren om de menselijke gespletenheid te helen met zijn supermenselijke liefde.

C.W. Maris van Sandelingenambacht
Filosofie Magazine 12/2001