Column Stilte en Innerlijkheid

door Annemarije Hagen

(26 februari 2013)

"'Wanneer ik het woord Toekomst uitspreek, / vertrekt de eerste lettergreep al naar het verleden. // Wanneer ik het woord Stilte uitspreek, / vernietig ik haar. // Wanneer ik het woord Niets uitspreek, / schep ik iets dat in geen enkel niet-bestaan past.’

Het gedicht ‘De drie wonderlijkste woorden', over woorden die hun eigen ontkenning al in zich meedragen, is een kort maar beklijvend gedicht van Wislawa Szymborska. Dit gedicht illustreert dat filosoferen over de stilte een tegenstelling aanduidt. In de poging om stilte in woorden te vatten, doen we haar teniet. Stilte begrenst: absolute stilte is onmogelijk. Zelfs al bevinden we ons met ingehouden adem in een volledig geïsoleerde kamer, dan zullen we onze hartslag horen dreunen en wellicht ons bloed horen suizen. Het probleem van de stilte zal pas met het einde van de mensheid definitief zijn opgelost. Leven maakt geluid. Desalniettemin zijn er over de stilte vele boeken geschreven en wijden we nu een avond aan dit thema.

Absolute stilte mag dan onmogelijk zijn, onze zoektocht naar stilte is er niet minder om. In deze wereld vol hectiek wordt stilte gezien als panacee. Of het nu gaat om stellen met relatieproblemen of werknemers die tegen een burn-out aanlopen, even afstand te nemen van de lawaaierige wereld lijkt de oplossing: in alle rust kunnen de stiltezoekers ontdekken wat er werkelijk toe doet en streven ze ernaar om “tot zichzelf te komen”. In onze zoektocht naar stilte schuilt dus een eigenlijke zoektocht naar onszelf. Wat is dan dat zelf waarnaar we naarstig op zoek zijn?

Wanneer wij onszelf tot taak stellen om tot onszelf te komen, zijn twee zelven verondersteld: een eerste zelf, het empirische zelf, dat besluit om door een bepaalde activiteit (in dit geval stilte en rust) tot een tweede zelf, het ware zelf, te komen. Er is sprake van een gespletenheid tussen het empirische zelf, dat moet omgaan met het lawaai van alledag, en het ware zelf, dat alleen in stilte en bezinning zijn essentie blootlegt en tot ontplooiing komt. Het ene zelf lijkt te bepalen hoe het eigen zelf er echt uitziet en wanneer het op zijn authentiekst is.

Het zelf is hiermee een complex project geworden. Dit in tegenstelling tot vroegere tijden. Toen werd onze identiteit bepaald door sociale, culturele en religieuze structuren. Wanneer oudere mensen over hun jeugd spreken, hebben ze het vaak over de vele regels die aan hen werden opgelegd, door ouders, kerk, school, hun milieu en de glurende buren.

Tegenwoordig zijn we bevrijd van deze beklemmende allesbepalende structuren. We vragen onszelf naar harte lust af wat we willen in het leven, wat onze ambities zijn, wat ons gelukkig maakt. Deze vrijheid brengt echter ook moeilijkheden met zich mee. Doordat we niet onmiddellijk opgenomen zijn in een bepalende context moeten we onszelf continue bezinnen op de vraag wie we willen zijn en welke doelen we willen nastreven. Er is niet langer een overkoepeld kader, een groot verhaal, dat over de autoriteit beschikt om zingeving voor te schrijven, waardoor er een toenemende druk is om zelf een verhaal hebben over je eigen leven en de keuzes die je maakt.

Mij ontbrak het de afgelopen zomer aan een dergelijk verhaal. Na mijn afstuderen drong de grote vraag zich op: wat nu? Tijdens mijn studie filosofie zijn een hoop vragen de revue gepasseerd, maar nooit de vraag: wat kan en wil ik hier nu eigenlijk mee? “Je moet doen wat je leuk en interessant vindt, dan komt het wel goed”, is het motto waarmee ik en velen van mijn generatie groot gebracht zijn. Alles goed en wel, maar wat vind ik dan leuk? Wat maakt me gelukkig?
Wat ik wel wist, was dat ik na maanden schrijven aan mijn masterscriptie behoefte had aan rust in mijn hoofd. De frisse buitenlucht zal mijn hersenspinsels temperen, dacht ik. Vandaar dat deze stiltezoeker besloot om een aantal maanden appels te gaan plukken op een biologische boerderij in een klein dorpje vlakbij Londen. Het werken op de boerderij deed me inderdaad goed, evenals de lokale pub waar we, vaste prik, na het werk een pint dronken.

Nu zou het leuk zijn als ik jullie kon vertellen hoe ik daar helemaal “tot mezelf kwam” en dan ook nog eens in staat zou zijn om voorbij deze clichématige beschrijving te vertellen over deze ervaring van innerlijkheid. Helaas. Niet het geval! Een aantal weken na mijn aankomst in Engeland zat ik tegenover een oude man, een voormalig psycho-analyticus. In zijn tuinhuis met een adembenemend uitzicht over glooiende heiden, zei ik, met veel gevoel voor dramatiek: ik weet niet meer wie ik ben? Nadat hij mij bemoedigend aankeek, kraamde ik uit: ik weet ook niet waarom ik hier ben? Tja, grote vragen van iemand die zich op dat moment erg klein voelde. Deze innemende man keek mij zwijgend aan en schreef vervolgens op het whiteboard: I am here to inhabit my life fully. Er te zijn. Volledig. Nu.

De grote vraag is natuurlijk: hoe dan? Door dagelijks een sitting te doen, was zijn antwoord. Een sitting is wat het is: op een stoel zitten, ogen dicht, rustig ademen, jezelf observeren en laten zijn, zonder oordeel. Ik heb een aantal verwoede pogingen gedaan, maar moet bekennen dat ik al vrij snel ben afgehaakt. Hoe eenvoudig de oplossing van deze man ook klinkt, ik raak nogal in de war als ik in de stilte de intentie heb om eens helemaal tot rust te komen of nog erger: helemaal tot mezelf te komen: want wie ben ik dan? En komt mijn zelf me dan toe als donderslag bij heldere hemel als ik me er in stilte ontvankelijk voor maak. Mijn gedachtestroom gaat door, ook als ik daar een innerlijke lamp op laat schijnen. Absolute stilte blijkt voor deze sterveling niet mogelijk. Stilte is zoals gezegd een begrenzing: het leven maakt geluid, buiten jezelf én in jezelf.

Misschien moeten we stilte ook helemaal niet inzetten om onszelf te vinden. Is deze gerichtheid op ons eigen ik juist helemaal niet wat stilte te bieden heeft. De meesters van de stilte, de monniken, beschouwen stilte immers veel meer als een krachtig instrument om zich ontvankelijk te maken voor het transcendente. Stilte is hier een manier om voorbij te gaan aan het zelf en in de ontvankelijkheid geraakt te worden door het hogere.
Bovendien verwoordt de uitspraak “ik moet even in alle rust tot mezelf komen” een ander probleem van bewuste bezinningsmomenten. Juist in het zoeken naar stilte en rust, wordt de onmogelijkheid van stilte veronachtzaamt. Mensen die gewend zijn stilte en bezinning te zoeken, in de natuur, in zogenaamd diepgravende gesprekken, bij spirituele samenkomsten waar na elke oefening, dans of boetseeropdracht gezegd moet worden wat er bij je bovenkwam, die mensen spreken vaak in een volkomen zielloos jargon. Ze papegaaien elkaar na in zinnen als ‘Ik moet het verdriet nog een plekje geven’, ‘Ik moet nog iets meer naar mijn gevoel leren luisteren’.

De totale vertherapeutisering zorgt ervoor dat mensen steeds minder origineel worden en innerlijk steeds eenvormiger. Wie je bent en wat je raakt is niet te achterhalen door op stille plekjes ‘indrukken te verwerken en aan jezelf te werken’. Wie wij zijn is niet volledig te vatten in het (vaak) clichématige verhaal dat wij over onszelf hebben. Ons handelen en onze verbondenheid aan personen en projecten geeft uitdrukking van wie wij zijn. Hoewel rust en stilte essentieel is om oprecht betrokken te kunnen zijn bij onze buitenwereld, is het goed te beseffen dat “zelf gelukkig worden en blijven” geen zelfstandig project is dat we door stilte en innerlijk onderzoek continu moeten monitoren. Anders zadelen we onszelf op met de illusie dat ons innerlijke zelf door introspectie behalve kenbaar ook maakbaar is. Door onze binnenwereld los te koppelen van de wisselwerking met buitenwereld, ontkennen we tot slot dat ons zelf een juist beetje herrie en input van buitenaf nodig heeft om vorm te krijgen.

98 / Laatst gewijzigd: 14-Apr-2013