Een verlangen naar de onschuld van het kwaad

door Kasper van Royen

(18 september 2012)

De posts over dubstep van pastoraal hulpverlener Gerard Slurink zetten Kasper aan het denken over het kwaad.

Gerard Slurink. Op het dorpsplein van de sociale media werd deze pastoraal hulpverlener en zelfbenoemd ‘voormalig popmuzikant’ van de ene op de andere dag een ware cultheld. Hij beantwoordt vragen op de site Refoweb, vragen die zoals te verwachten vaak gaan over zelfbevrediging en geaardheid en al dat soort zaken waar een religieuze helpdesk het maar druk mee heeft. De vraag die echter tot Gerard’s bekendheid buiten de kerkelijke online-kringen leidde, ging over een geheel ander onderwerp, namelijk Dubstep. Voor de ouderen onder u, dat is een zeer hip muziekgenre, opzwepend, intens en dansbaar, met diepe duivelse bassen. Een bezorgde moeder vraagt zich af of deze muziek niet schadelijk is voor haar dochter, of ze het niet moet verbieden. Gerard’s antwoord is imponerend uitgebreid. Hij heeft zich duidelijk vastgebeten in het onderwerp, en naar heel veel Dubstep geluisterd. Ik zal enkele fragmenten citeren uit zijn lange antwoord, wie het geheel wil lezen verwijs ik naar refoweb.nl, sowieso een heerlijke site om eens op een regenachtige zondagmiddag door te grasduinen:

‘‘Dubstep is een variant van elektronische dansmuziek met wortels in Jamaica en zo'n twaalf jaar geleden ontstaan in Zuid-Londen. Aan de boom van de popmuziek hangt het aan de funk- en discotak van waaruit als zijtak de house en daaruit de garage-house ontspruiten. Aan deze tak zitten een dertigtal substijlen, waarvan Dubstep er één is. Ik noem dit omdat het aannemelijk is dat uw dochter ook aanverwante stijlen luistert of gaat luisteren, al was het alleen maar omdat artiesten de stijlen vermengen. Ook kan de ene stijl niet goed los gezien worden van de andere. Alhoewel ze niet gelijk zijn, behoren ze tot dezelfde familie en dragen ze veelal dezelfde boodschap in de kern uit omdat de makers veelal handelen vanuit dezelfde levensvisie.’’

‘‘Wat denkt ze dat God van deze muziek zou vinden? Kan ze God ervoor loven en danken?’’

‘‘Het hangt er ook van af hoe uw dochter staat in het geloof. Kent ze en vertrouwt ze de Heere Jezus? Heeft wat God zegt over de dingen voor haar betekenis? Ik zou daar het meeste aandacht aan geven. Om te groeien moet een plant in goede aarde staan. Als het niet in goede aarde staat kan je er wel proberen allerlei vruchten aan te plakken met plakband maar dat heeft weinig zin. Het ziet er dan voor een kort moment aardig uit maar na een tijdje vallen ze er weer van af. Zaak is dat het goed zit met de wortel, dan volgen de andere dingen wel.’’

‘‘Wat doet de muziek met haar? Verdooft het? Kan ze erbij Bijbel lezen? Naar mijn mening en ervaring heeft dit soort muziek ook een uitwerking op je geestesgesteldheid. De muziek is veelal onrustig. Als ik het 15 minuten heb geluisterd moet ik eerst eens even bijkomen en rust hebben. En ik ben erg veel gewend. Het is alsof je in een machinefabriek zit.’’


‘‘Probeer een alternatief aan te bieden. Misschien een gek voorbeeld, maar ik hou tegenwoordig veel van panfluit met orgel. Of als ze van elektronische muziek houdt zal ze misschien ook van fluitmuziek kunnen houden. Er is allerlei, ook instrumentale, muziek dat wel de regels van de door God geschapen natuurwetten volgt. En als ze dat afwijst vraag haar dan waarom. Zo komen misschien haar drijfveren boven zowel voor u als voor haarzelf.’’

De gretigheid waarmee de tekst van Slurink werd doorgegeven op Twitter, Facebook (waar zelfs een ironisch bedoelde fanclub voor hem werd opgericht) en menig muziekblog en kletssite – een gretigheid waar ik ook zelf hard aan meedeed – bezorgde mij een wat onbestemd gevoel. Natuurlijk is het hilarisch en enigszins aandoenlijk hoe die prachtig formulerende wereldvreemde ‘onze’ wereld onderzoekt zoals een laborant dit doet met gevaarlijk stofjes onder de microscoop.

Toch merkte ik dat het ook een bepaalde weemoed bij mij opriep. Ik wilde even die dochter zijn en met mijn takkeherrie keihard tegen God’s geschapen natuurwetten ingaan. En vervolgens wilde ik mij schuldbewust in Slurink’s armen laten vallen, om mij gebroederlijk met hem onder te dompelen in panfluitmuziek. Hij zou geen vruchten met plakband aan mij proberen te plakken, maar begripvol zijn ogen neerslaan terwijl hij mee neuriet met de harmonieuze orgelklanken. Vanwaar dit verlangen? Vond ik mijn eigen leven niet leuk genoeg? De vrijheid die ik had, om maar alles mooi en lekker te mogen vinden, was dat dan niet ontzettend prettig?

Maar het gevoel dat ik toch iets miste groeide terwijl ik op Refoweb de vele reacties las die Slurink’s brief opriep. Hier was niets van de lacherige toon te ontdekken waarmee zijn adviezen een eigen leven waren gaan leiden in mijn heidense kringen, hier werd juist op zeer ernstige toon discussie gevoerd over de manieren waarop men met wereldse verleidingen om zou moeten gaan. Sommigen van deze gereformeerde reaguurders beweerden dat via de extase die de diepe bassen van de muziek oproept het contact met God kan worden gezocht en die dochter er dus juist niet genoeg naar kan luisteren. Anderen vonden daarentegen dat de genuanceerde Slurink lang niet ver genoeg ging en beweerden dat álle wereldse muziek een verleiding van de duivel is en men beter met de handen dicht tegen de oren gedrukt door het leven kan gaan. Ik klikte door op links waarmee ik terecht kwam op filmpjes van preken voor jongeren, waarin werd uitgelegd dat Satan sinds de jaren ’60 drukke diensten draait via de radiofrequenties.

Dat dit soort overtuigingen nog bestonden verbaasde mij, en toch gaf het een gevoel van jaloezie. Onder de microscoop is niets meer om het even, maar elk detail van het grootste belang. In Slurink’s universum is er een moreel kompas dat voor alles de richting kan wijzen, in mijn wereld is er alleen de wet waaraan ik mij dien te houden. Voor de rest heb ik de volledige vrijheid mijn eigen concept van een goed leven te vormen en de volledige verantwoordelijkheid dit concept te realiseren. Muzieksmaak lijkt hierin voor de buitenwereld een enorme futiliteit te zijn, terwijl het toch mijn leven beheerst en bepaalt wie ik ben. Het doet er niet toe of ik deathmetal of gregoriaanse gezangen prefereer, zolang het mij maar niet inspireert om iemand de kop in te slaan en mocht dat zo zijn dan zat er toch al een steekje bij mij los. Voor de rest is het maar net wat mijn smaak is, waar ik me lekker bij voel. Het een is niet beter dan het andere, er hangt geen enkel moreel gewicht aan dit soort voorkeuren. Dat is een duizelingwekkende vrijheid. Toch kan ik wel naar die microscoop verlangen, waaronder alles van betekenis is, maar ik kan er niet aan ontkomen dat het slechts een zoete droom is en niet waar ik daadwerkelijk in geloof. Zelfs al sluit ik, opportunistische agnost die ik daar ben, het bestaan van een God niet uit, het lijkt me dat Hij dan wel belangrijkere dingen aan zijn hoofd zou hebben dan het contact dat ik al dan niet via muziek met Hem zou onderhouden. Nee, die God kijkt niet onder de microscoop, Hij zorgt er hoogstens voor dat het laboratorium niet omvalt. En misschien is die God wel doof, Hij heeft in ieder geval geen muzikale voorkeuren. Of de muziek nou wel of niet tegen Zijn natuurwetten ingaat (wat Slurink daar precies mee bedoelt is mij overigens onduidelijk, je kan dubstep herrie vinden, maar atonaal is het zeker niet), het zal deze God koud laten. Het Kwaad zit niet in klanken, maar in de mens zelf.

In potentie ben ik een moordenaar, een massamoordenaar misschien wel, en een serieverkrachter, en een oplichter en een pyromaan en een bankdirecteur en vast nog een hele hoop meer. Misschien geef ik wel aan de meest verschrikkelijke impulsen niet toe omdat ik laf ben, omdat wetten en praktische bezwaren altijd in de weg staan. Ik kan mij verschuilen achter de futiliteiten die mijn leven vorm geven, achter mijn boeken en mijn platen en de films die ik graag zie, achter deze column die ik schrijf terwijl ik ook iemand de keel zou kunnen doorsnijden, of een beetje om mij heen schieten in winkelcentrum, of jongerenkamp. Doet het ertoe?

Waarschijnlijk wel voor mijn gezin en familie en vrienden. Zij willen graag dat ik af en toe de deur uitga, want frisse lucht zal me goed doen. Ze willen dat ik niet te hard werk, maar ook niet teveel luier. Ze willen dat ik dubstep luister als mij dat goed doet, maar niet zo hard dat zij bij een bezoek zichzelf niet meer kunnen verstaan. Zij willen dat ik gelukkig ben. Maar natuurlijk heb ik ook het recht om ongelukkig te zijn, om mij elke dag kapot te drinken en kotsmisselijk op Lady Gaga en Led Zeppelin en Jan Smit en Richard Wagner te staan hossen. Die vrijheid is uiteindelijk belangrijker dan ons welzijn. Waarom ook niet? Misschien is Satan wel overal. Maar hoe groot de troost ook zou zijn om door hem verleid te kunnen worden, de vrijheid is absoluut en alleen mensen onderling kunnen beslissen wat het kwaad betekent. Hitler, zeggen we dan, die kon echt niet door de beugel. Een duidelijk ijkpunt voor een moreel kompas in een Goddeloos en Satanloos universum. Alle muziek is hierbij tot achtergrondmuziek verbannen, alleen de stilte kan nog werkelijk klinken. En in die stilte kan men opeens verlangen naar een Slurink, maar helaas, hem serieus nemen is onmogelijk geworden, het kwaad heeft z’n onschuld voorgoed verloren.

96 / Laatst gewijzigd: 21-Sep-2012

Kasper van Royen