Meer zielkunde in de politiek

door Ronald van Raak

(9 november 2004)

Het is een bedenkelijke eer als iemand na je dood een grafschrift voor je schrijft. Na de dood van Thorbecke in 1872 schreeft Multatuli er meer dan honderd. Deze opschriften, die het graf van Thorbecke zouden moeten sieren, waren uiterst scherp van toon:

De man die men de vryheid nam hier in de kist te leggen,
Was zo verdienstelyk dat z’n beste vrinden niets goeds van ’m weten te zeggen.

Dames en heren, u hoort het al, Multatuli, onze grootste schrijver, hield niet van Thorbecke, onze grootste staatsman. Toch hebben Thorbecke en Multatuli op het eerste gezicht veel overeenkomsten. Beide namen worden steevast genoemd als gevraagd wordt naar Bekende Nederlanders in de negentiende eeuw. Beiden waren grote vernieuwers. Beiden waren ook invloedrijke denkers. Jan Drentje promoveerde onlangs op een biografie van Thorbecke, die hij beschrijft als ‘een filosoof in de politiek’.

Drentje laat zien hoe de latere staatsman zich in zijn Wanderjahre in Duitsland liet beďnvloeden door onder meer Friedrich Schelling en een originele bijdrage leverde aan de ontwikkeling van het liberale denken. Over Multatuli als wijsgeer is al veel eerder geschreven. Niemand minder dan Sigmund Freud liet zich in zijn brieven ontvallen dat hij veel geleerd heeft van de ‘grote denker’ Multatuli.

Thorbecke en Multatuli hadden beiden veel waardering voor de filosofie van Spinoza en kunnen worden gezien als wegbereiders van het spinozisme dat zich in de tweede helft van de negentiende in Nederland mocht verheugen in een grote populariteit. Bovenal zijn beide denkers vertegenwoordigers van de Romantiek, een geestelijke houding die buiten deze twee grootheden in onze polders maar moeilijk kon gedijen. Maar als er zoveel overeenkomsten zijn aan te wijzen, waarom dan had Multatuli zo’n hekel aan Thorbecke? Laten we nog eens een grafschrift bekijken:

Hier ligt de man die naar beste weten,
Het Volk belette zich aan biefstuk ziek te eten.
En de gewoonte van kauwen en malen niet te verliezen,
Gaf hy ’t een papieren kieswet tussen de kiezen.

Thorbecke belette volgens Multatuli het volk om zich ziek te eten aan biefstuk. Hebben we hier te maken met een biefstuk-socialist? Multatuli leidde een leven in armoede en geplaagd werd door schulden, om eten was het hem niet in de eerste plaats te doen. Steen des aanstoots waren vooral de bestuurlijke vernieuwingen die Thorbecke had doorgevoerd. In 1848 was op zijn initiatief een nieuwe grondwet geschreven, die nog steeds de basis is van ons huidige politieke systeem. In 1848 werden de rechtstreekse verkiezingen vastgelegd, waardoor de Tweede Kamer voortaan direct werd gekozen. De ministers waren vanaf toen niet alleen verantwoording schuldig aan de koning, maar ook aan het parlement.

Met dat parlement had Multatuli niet zoveel op. Hij noemde de Tweede Kamer een ‘pronkkamer van Nederlandse middelmatigheden’ en een ‘muzeum van misdadige nietigheden’. Nederland was naar zijn opvatting een land van middelmatigheid en de bestuurlijke vernieuwingen van Thorbecke droegen hieraan veel schuld. Laten we eens kijken naar de verschillen in uitgangspunten. Wellicht is hier een verklaring is te vinden voor Multatuli’s haat.

Tussen 1820 en 1824 maakte de jonge Thorbecke een studiereis langs verschillende Duitse universiteitssteden, waar hij zich verdiepte in de nieuwe Duitse filosofie. In een poging om in Duitsland een post als hoogleraar te bemachtigen schreef hij in 1824 Über das Wesen und den organischen Charakter der Geschichte. Een toonbeeld van Nederlandse middelmatigheid kan men dit boek niet noemen. Thorbecke verwoordde romantische filosofische opvattingen die in Nederland destijds werden afgedaan als gevaarlijke luchtfietserij.

Zelf schreef hij daarover in een brief naar het thuisfront:

‘Het is niet onmogelijk, dat men dit opstelletje in de Nederlanden lezende, oordeelt, dat ik thans eene plaats in een gekkenhuis verdiene.’ Zelfkennis is ook kennis.

Een aanstelling als filosoof zat er voor de jonge Thorbecke echter niet in en hij moest zich tevreden stellen met een lesopdracht in de geschiedenis aan de universiteit van Giessen. Hier werkte hij verder aan zijn geschiedfilosofie, die zich laat samenvatten in de leus: ‘Keine Zeit ist der anderen wege da.’ Thorbecke beklemtoonde de organische verbondenheid tussen de verschillende tijdvakken, maar meende dat het geheel van de geschiedenis niet mocht worden gereduceerd tot een logische opeenvolging der delen. Belangrijk voor de politiek die Thorbecke later zou voorstaan is dat hij in het organische denken nadrukkelijk ruimte maakt voor het individuele. In tegenstelling tot bijvoorbeeld Hegel maakt hij duidelijk hoe iedere tijd in de geschiedenis een eigen werkingssfeer heeft.

Thorbeck accepteerde een hoogleraarschap in de geschiedenis in Gent en werd vervolgens hoogleraar staatsrecht te Leiden. Hier ging hij colleges geven over de grondwet en trad hij op als constitutioneel hervormer. In zijn beroemde rede uit Over het hedendaagsche staatsburgerschap worden Thorbeckes geschiedfilosofische opvattingen voor het eerst nadrukkelijk verbonden met de praktische politiek: de grondwet moest het levensbeginsel van de eigen tijd verwoorden. In 1848 slaagde de staatsrechtgeleerde erin om wat hij zag als de beginselen van zijn tijd ook daadwerkelijk vast te leggen.

Thorbecke, die tot drie keer toe leider was van een liberaal kabinet, hield politici voortdurend zijn grond wet voor; het was de taak van de politi cus om de principes van de grondwet uit te werken in praktische wetgeving. Dit leidde tot een zeer formele vorm van politiek, die voor Thorbecke vooral een juridische aangelegenheid was. Hij had een afkeer van buitenparlementair debat en van mobilisatie van burgers. De filosoof in de politiek verwoordde naar eigen inzicht geen partijbelangen, maar de historische eisen van zijn tijd. Door dit claimen van een historische waarheid riep Thorbecke de toorn van Multatuli over zich af, zo blijkt uit het volgende grafschrift:

Leert dit van my, o mensen, leeft broederlyk onder elkander:
Partyhaat is ’n afschuwelyk ding... in ’n tegenstander.

Wat Multatuli echter vooral tegen de borst stootte was dat Thorbecke de politiek beperkte tot wetgeverij, die hem het zicht ontnam op de noden en wensen van de burgers:

Zielkunde, kennis van ’t Volk, was de uitgedroogde wettenfabrikant een gesloten boek.

We zouden Thorbecke een constitutionele liberaal kunnen noemen. Deze staatsrechtgeleerde meende te weten wat de historische eisen waren van zijn tijd en wilde deze vastleggen in wetten. Mutatuli noemde zichzelf een vertegenwoordiger van het ‘ware liberalisme’. De politiek moesten volgens hem meer zijn dan een wettenfabriek. Politici moesten in staat zijn tot ‘zielkunde’ van het volk.

In de Max Havelaar stelde Multatuli de slechte situatie van de inlandse bevolking in Nederlands Indië aan de orde. In zijn Ideeën klaagde hij in de jaren 1860 onder meer de erbarmelijke omstandigheden aan waarin arbeiders in Nederland moesten leven. Multatuli ontvouwde zelfs plannen voor de oprichting van een ‘vlees-party’, die zich moest inzetten voor de verbetering van de voeding en de huisvesting van de armen. Eveneens stelde hij een groot belang in het onderwijs, dat gericht moest zijn op karaktervorming en ‘oefening in het denken’.

Beide liberale denkers stonden voor een heel andere wijze van politiek bedrijven. Voor Thorbecke was de politiek een formele aangelegenheid in handen van een bestuurlijke elite. Slechts 2,5 procent van de bevolking kon onder deze grondwet stemmen, afhankelijk van de hoeveelheid betaalde belastingen. Multatuli behoorde niet tot deze groep.

Met de kieswet van Thorbecke had niet het volk, maar de gegoede burgerij een stem had gekregen in de politiek. Bovendien moesten politici volgens de grondwet van Thorbecke handelen zonder last of ruggespraak. In hedendaags termen kunnen we zeggen dat politici voor Thorbecke een soort bestuurlijke managers waren en uitvoerders van de wet die zij zélf moesten vaststellen.

Multatuli was één van de eerste Nederlanders die pleitte voor algemeen kiesrecht. Bovendien moest de politiek naar zijn opvatting voortdurend onderwerp zijn van debat. In zijn felle polemieken probeerde de schrijver zijn lezers daadwerkelijk te betrekken bij de politiek. Dat politiek voor veel mensen te moeilijk zou zijn of dat burgers zich niet zouden interesseren voor de politiek is voor Multatuli geen argument. Hij doet een beroep op de specifieke taak van ieder mens. In zijn Miljoenenstudiën (1870-1873) schrijft hij:

Een paard verdient de haver met schoften en poten. Een koe haar gras met de melk die ze geeft. En gy, mens, d.i. denkdier, kunt en moet betalen met gedachten.

Hier raken we denk ik aan het belangrijkste verschil. Thorbecke wierp zichzelf op als woordvoerder van een nieuwe tijd, die hij als filosoof kon begrijpen, als staatsrechtgeleerde in wetten kon vastleggen en als politicus tot stand wilde brengen. Wetten zijn in deze opvatting de motor achter de maatschappelijke ontwikkeling. Multatuli dacht na over de sociale voorwaarden voor maatschappelijke vernieuwing. Hoe kunnen we de samenleving zo inrichten dat mensen zélf kunnen nadenken over hun wereld.

Het liberale constitutionalisme van Thorbecke is met diens dood helaas niet verdwenen. Het is nog in levende lijve terug te vinden in het optreden van minister Thom de Graaf. Diens voorstellen voor bestuurlijke vernieuwing zijn een terugkeer naar de negentiende eeuw. Ik heb het dan niet alleen over zijn voorstel om opnieuw kiesdistricten te introduceren, een systeem waar we in 1917 met algemene instemming afstand van hebben genomen. Ook heb ik het niet over het feit dat D66, na veertig jaar studie, met zulke ondoordachte voorstellen komt. Ik heb het dan vooral over zijn negentiende eeuwse opvatting van vernieuwing.

Om het met Multatuli te zeggen: minister De Graaf is een wettenfabrikant die burgers laat kauwen op een papieren kieswet. Dat er een kloof zou zijn tussen burgers en bestuurders, daar kan ik me iets bij voorstellen. Maar dat politici die kloof met wetten kunnen dichten, dat geloof ik niet. Zonder dat ik meteen grafschriften voor De Graaf ga schrijven, ik begrijp die woede van Multatuli.

Vernieuwing ŕ la Thorbecke en De Graaf is uiterst formalistisch. Volgens mij maakt het burgers niet uit hoe ze een politicus kiezen, maar is het veel belangrijker dat we iets te kiezen hebben. Volgens mij hebben we geen behoefte aan managers die voor ons denken, maar aan bevlogen polemisten die ons laten denken. Graag wil ik minder regels en meer zielkunde in de politiek.

Daarom wil ik een voorstel doen. Ik weet niet of jullie het hebben meegekregen, maar het Multatulimuseum hier in Amsterdam, in het geboortehuis van Multatuli in de Korsjespoortsteeg, dreigt te verdwijnen. De gemeente is niet meer bereid om de benodigde subsidie van 20.000 euro per jaar te verlenen. Multatuli was een van de weinige politici die de ziel van zijn lezers wist te raken. Daarom stel ik voor dat, zolang deze ondersteuning uitblijft, elk lid van de Eerste Kamer en Tweede Kamer jaarlijks een financiële bijdrage levert. Daarmee wordt de eer gered van één van de grootste pleitbezorgers van een bezielde politiek.

Ronald van Raak is filosoof en historicus aan de UvA en SP-senator

86 / Laatst gewijzigd: 22-Nov-2009