Barlaeus Gymnasiumleerlinge over de filosofie van het leren

door Katja Bego

(9 november 2009)

Tijdens het tienjarige bestaan van F&S waren we o.a. te gast in het Barlaeus Gymnasium. Katja Bego, leerling uit het examenjaar, begon de avond met een korte lezing waarin zij filosofie en haar eigen ideeën over educatie aan elkaar verbond.

Het was de studenten van Pythagoras niet toegestaan te spreken tijdens de eerste vier jaren van hun studie. De discipline heerste, de leraar was almachtig. Tegenwoordig moeten lessen vooral entertaining zijn, “leerlingen moeten wel mee mogen doen, anders is het veel te saai en zwaar”, scholieren moeten hun eigen creativiteit kunnen tonen! Ze moeten leren, leren; sociaal zijn, dus praat vooral maar door de les. De laatste drie jaar die ik heb doorgebracht op de basisschool had ik het voorrecht onderwezen te worden door Juffrouw Greet, Juffrouw Greet zat al veertig jaar in het onderwijs, en was het epitoom van een docent van de oude stempel. Gezellige, interactieve knutselwerkstuk-opdrachten waren ver te zoeken in het klaslokaal van juf Greet, maar haar filosofie van ‘Orde, Tucht en Discipline’, heeft er wel voor gezorgd dat ik nu op juiste wijze zinnen kan ontleden en nog immer de belangrijkste jaartallen van de tachtigjarige oorlog op kan dreunen. Kennis, kennis, kennis. Deze aanpak staat diametraal tegenover een meer individualistische benadering, waarin leerlingen worden gestimuleerd vooral zelf te denken; het opdoen van vaardigheden en leren wetenschappelijk denken staan hier centraal. Deze laatste methode is, zoals we allemaal weten, de overhand gaan krijgen in het huidige, Nederlandse onderwijssysteem, met als meest roemruchte pinakel de gefaalde Tweede Fase. Het debat tussen pleiters voor beide kampen laait al eeuwen, enerzijds vinden we denkers als Humboldt, Hegel in mindere maten, Heidegger en dus juf Greet als voorstanders van het bildungs ideaal ; anderzijds Marcuse, Sergey Brin en Larry Page, CEO’s van Google en Adorno, Foucault... Het moge duidelijk zijn dat beide filosofieën op zich zelf niet meer werken in het huidige onderwijssysteem, ze passen niet meer in onze tijd. Daarom wil ik pleiten voor het overduidelijke, onze eigen twee-statenoplossing, maar dan juist omgekeerd; er moet een synergie gevonden worden: onderwijs waar leerlingen zowel worden gestimuleerd zelf te denken, ontdekken, te filosoferen eigenlijk, maar ook voldoende kennis hebben over wetenschappelijke en maatschappelijke ontwikkelingen om door te kunnen gaan voor geïnformeerd burger. Volgens Wilhelm von Humboldt, die vaak de credits krijgt voor het ontwerpen van het bildungs-idee, moest de intellectuele elite – het huidige gymnasium valt daar dus ook onder – opgeleid worden volgens het humanistische ideaal, het opleiden van de homo universalis. Er moest veel, heel veel algemene kennis worden opgedaan op zo veel mogelijk vakgebieden. Door een basis van veel, gecanoniseerde kennis, leerden de gymnasiasten oordelen over morele kwesties. Kennis is immers macht. De leraar was de baas in de klas, het klassikale onderwijs dat we sinds de jaren 60 langzaam hebben zien verdwijnen, als belangrijkste middel van kennisoverdracht. Dat is jammer. Neem bijvoorbeeld Latijn, door een steeds versoepelende syllabus wordt er steeds minder verwacht van eindexamenkandidaten. Veel ouders van mensen hier op school, kunnen hun kinderen nog steeds helpen met Latijn, hoewel ze al minstens dertig jaar geen zin meer hebben vertaald. Ik ken daarentegen ook genoeg leerlingen die misschien pas twee jaar geleden hun diploma, op welke school dan ook, in ontvangst hebben genomen, die nu werkelijk geen een rijtje meer zouden kunnen produceren als dat ze gevraagd werd, zo beweren ze. Dit ligt niet aan de leraren, dit ligt aan de immer lagere eisen die aan ons worden gesteld, en de nadruk die wordt gelegd op het leren leren, je hoeft niets meer te weten volgens het ministerie van onderwijs, zolang je maar weet HOE je iets zou moeten weten. Vergelijk dit met het gemiddelde Aziatische land. In Zuid-Korea bijvoorbeeld, hier worden de meest getalenteerde leerlingen blootgesteld aan een onderwijssysteem waar ze geacht worden niet minder dan vijftien uur per dag te stampen. Kennis stampen. Half 6 ’s ochtends, naar school, 4 uur ’s middags, pianoles, 6 uur, snel iets eten, half 7 bibliotheek, half 12, met de bus naar huis, om 2 uur, slapen. Zes dagen per week, zaterdag is er ook nog les. Landen als Zuid-Korea, Singapore en China vegen het westen van de kaart op het gebied van wiskunde, natuurkunde, noem het maar. Het bildungsideaal ten voeten uit. Disciplina Vitae Scipio, zoals op de voormalige voordeur van de school staat – Discipline is de steunstok van het leven. Maar hoewel deze leerlingen, tevens directe concurrentie in de toekomst, dan wel veel weten, is er één cruciaal probleem met bildung, waar blijft ruimte voor de ontwikkeling van de eigen kritische geest? Kennis vormt zich om tot dogma’s voor het behoud van de status quo in een land. Wanneer je de toekomstige hoogopgeleiden alleen maar informatie biedt die hen doen passen in de cultuur en het waardesysteem van de desbetreffende natie, sla je als land de plank flink mis. Het is zelfs gevaarlijk, wanneer je het principe te ver door zou radicaliseren. Het benadrukken van het individu echter leidt wel tot kritisch burgerschap. En tot innovatie. Wanneer je scholieren de kans zou geven zich zelf te ontplooien, na te denken over de belangrijke vragen in het leven, zorgt dit en voor kritische burgers – belangrijk in een democratie- en ook voor de bloei van nieuwe ideeën. Neem als voorbeeld Google, werknemers van de corporatie van de 21ste eeuw mogen dertig procent van hun uren vrij besteden. We hebben hier te maken met hoogopgeleiden met typische diploma’s in bijvoorbeeld informatica en engineering maar zelfs historici. In deze dertig procent zijn boegbeelden van Google zoals Google Earth, gmail en Google Maps ontstaan. Wanneer je intelligente mensen de vrije hand laat, kan dit tot grootse dingen leiden. Leonardo da Vinci, deels Newton, David Bowie en Steve Jobs waren autodidacten. Maar hoe kan iemand genoeg besef hebben van de maatschappij om kritiek te kunnen leveren, wanneer kennis niet meer opgedaan wordt? Als het totaal individualistisch systeem ingevoerd worden in een hypothetisch geval, krijgen we te maken met afgestudeerde semi-autodidacten die geen degelijke basiskennis hebben, en zo dus helemaal niet zo kritisch of zo nieuw kunnen zijn, omdat er geen fundament is om op te bouwen ‘the unfortunate urge to educate the individual in thinking for himself and being self- productive has cast a shadow over truth’, aldus Hegel (Engelse quote, helaas) .
Dit leidt tot de impasse in het huidige onderwijs. Het blijkt dat beide systemen gepaard gaan met cruciale mankementen die, naar mijn mening dealbreakers zouden zijn. Beide filosofieën streven naar zelfontplooiing, bij het bildungsideaal dus door kennis. Dit leidt echter tot verhulde indoctrinatie en weinig ruimte voor nieuwe ideeën, in het systeem meer gericht op zelfstudie en vrij denken, ziet men zelfontplooiing door zelf te associëren, er is echter te weinig grip en fundament om het geproclameerde kritisch burgerschap dat hiermee gepaard zou moeten gaan, waar te maken. De lijn van onderwijs hervormingen in Nederland duidt op een besluiteloosheid op dit gebied. Eerst het studiehuis, wat niet bleek te werken; nu Minister Plasterk die vooral onderzoeken predikt. Deze twijfel heeft geleid tot een –naar mijn mening- systeem waarbij beide kanten niet goed tot hun recht komen, een beetje zelf, een beetje klassikaal; maar vooral allebei niet te veel. Anders wordt het allemaal veel te ingewikkeld. Maar wanneer we pretenderen weer te willen excelleren in het onderwijs, “leerlingen moeten geen zesjes willen halen, maar cum laude scoren, allemaal! We moeten ons richten op de beste scholieren!” dan moet er denk ik toch iets drastisch veranderen. Een systeem waar veel nadruk ligt op het opdoen van concrete kennis en het implementeren van die kennis in ons denken. We kunnen zelfs Google nadoen, zeventig procent hard werken, stampen, rijtjes leren! En dan de overige tijd besteden aan het gebruiken van deze kennis, om ons bezig te houden met zaken als filosofie, onze positie in maatschappelijke kwesties en dergelijke.
De nadruk mag niet alleen liggen op de concretere vakgebieden zoals de exacte wetenschap want culturele vorming mag niet vergeten worden. Dit is uitermate belangrijk. De Pro Archia Poeta is de redevoering die Marcus Tullius Cicero hield ter verdediging van Aulus Archias, een Grieks poëet die ervan beschuldigd werd zichzelf ten onrechte Romeins staatsburger te noemen. In deze redevoering houdt Cicero een verhuld pleidooi voor de poëzie en literatuur, kunst en cultuur stonden namelijk niet hoog aangeschreven in het republikeinse Rome; De ware eer viel te behalen op het militaire en politieke slagveld, een echte Romein las geen Sophocles maar de militaire traktaten van Cato... Culturele ontwikkeling was iets voor de Grieken –Griek hier als scheldwoord, een echt patriciër wist niet wie dat prachtige beeldhouwwerk in de hal had vervaardigd. In een andere redevoering van Cicero, de speech die zijn reputatie vestigde, valt hij Verres aan, een magistraat die ervan werd verdacht zijn machtspositie te hebben misbruikt om Sicilië onder meer van haar kunstschatten te ontdoen. De jonge Cicero vreesde bestempeld te worden als iemand die wel affiniteit had met de Griekse cultuur – in andere woorden, een mietje was, daarom pretendeerde hij in zijn rede niets af te weten van al die Griekse knutselaars “Praxiteles? Nog nooit van gehoord.” Terwijl hij er waarschijnlijk eentje thuis had staan. Deze negatieve houding tegenover de kunsten verbonden aan de Oude Grieken, kan als parallel door getrokken worden naar deze tijd
Wij, Europeanen zijn de oude Grieken, en onze overzeese broeders in de Verenigde Staten de Romeinen, meesters van het utiliteitsdenken. Het gaat om resultaat, kun je er wel geld mee verdienen? , zo wil althans het stereotype. Maar het zijn deze zelfde Amerikanen die heer in meester zijn in het eliteonderwijs, met instituten zoals Princeton, Harvard en MIT als boegbeelden van een liberal arts systeem, dat we nu op grote schaal gekopieerd zien in de university colleges die in heel Nederland als paddenstoelen uit de grond schieten. Hoewel ik absoluut het Amerikaanse onderwijssysteem, waarin de meritocratie nog een illusie is, niet wil ophemelen, is het een feit dat geen enkele middelbare scholier in de Verenigde Staten high school verlaat zonder Hawthorne’s The Scarlett Letter, Hemingway en The Great Gatsby te hebben gelezen, brede, algemene vorming voor iedereen. Maar waarom is literatuur, kunst en het beantwoorden van filosofische vragen relevant? Als we er rationeel naar kijken, zou onderwijs logischerwijs moeten dienen kennis over te dragen aan de volgende generaties, kennis die, volgens het utilitaire idee, weer een functie heeft voor de gemeenschap. Maar de meeste academici en denkers zijn het hier niet mee eens. Zo schreef Drew Gilpin Faust, presidente van Harvard in een recent artikel in the New York Times dat 'even as we as a nation have embraced education as critical to economic growth and opportunity, we should remember that colleges and universities are about a great deal more than measurable utility'. Ook Anthony Kroneman, Voormalig decaan van Yale Law School, uitte onlangs in zijn boek “Educations end: Why our colleges and universities have given up on the meaning of life” zijn zorgen over de teloorgang van de geesteswetenschappen in het universitair onderwijs. Hij meent dat het antwoord op de vraag ‘wat is de zin van het leven, hoe sta ik in het leven’ het belangrijkste antwoord is, dat gevonden dient te worden tijdens een educatie. Hoewel beiden uiteraard niet spreken over het Nederlands gymnasium, zijn hun uitspraken wel degelijk relevant. Wanneer het hoger onderwijs een bedrijf wordt, wanneer studiekeuzes worden gebaseerd op een toekomstig salaris, gaat het mis. Kunst en cultuur zijn wel degelijk belangrijk. Schiller beweert dat de schone kunst de gevoelens schoolt en verfijnt. Dat is de bijdrage van de schone kunsten aan de beschaving. Maar Schiller wilde méér. De esthetische wereld is niet alleen een oefenterrein voor de verfijning en de veredeling van gevoelens, maar zij is de plek waar de mens expliciet wordt wat hij impliciet altijd al is: de homo ludens, de spelende mens. Of, om Schillers beroemde these te citeren: ‘Om het eindelijk ronduit te zeggen, de mens speelt alleen wanneer hij in de volle betekenis van het woord mens is, en hij is alleen helemaal mens wanneer hij speelt.”

84 / Laatst gewijzigd: 09-Nov-2009