Superioriteit

door Stijn Sieckelinck

(29 juni 2009)

Hij had nog maar net het kaarsje aangestoken, toen een onheimelijk gevoel hem bekroop. Schaamte wellicht, dacht hij, of in elk geval een gevoel wat je krijgt wanneer je niet helemaal instemt met wat je net gedaan hebt.

Niet dat je altijd trots hoeft te zijn op wat je doet, maar sommige dingen, daarvan had hij gedacht dat hij het nooit zou doen. Met als gevolg dat hij nu, in het schrale licht van het brandende lontje, niet goed met zichzelf raad wist. Het was ook nog zo vroeg op de dag. Sommige plekken, bezoek je beter niet met een lege maag, hoorde hij zichzelf nog zeggen.

Precies op dat moment klonk er een kuch aan de overkant van het altaar, dat zoals steeds met een dik touw was omboord om op zijn minst de suggestie te wekken dat de toegang tot, en de directe dienstbaarheid aan het Opperwezen voorbehouden is aan lieden die een dik touw nodig hebben om het belang en de exclusiviteit van hun arbeid te onderstrepen.

De kuch was duidelijk van een vrouw. Dat kon hij ondertussen wel stellen na vijfentwintig jaar hoorcollege geven: Vrouwen kuchen anders dan mannen. Met iets meer melodie en een stuk minder gesyncopeerd. Hij hoorde niet alleen een kuch, maar ook de echo van die kuch twee en vier en zes zuilen verder en toen die ene kuch eindelijk uitgestorven was, ergens helemaal achteraan, bij de mededelingsborden voor trouwe parochianen, zag hij een gestalte naderen. Ze leek verdomd hard op zijn assistente.

Uitgerekend de assistente met wie hij vorige week nog zo’n moeizame discussie had gevoerd over de superioriteit van de rede en die hij niet had kunnen overtuigen. Dat die hem juist hier moest treffen! Hij voelde enkele zweetdruppels over zijn voorhoofd naar beneden glijden. Gelukkig scheen de zon nog niet door het glasraam en kon hij erop vertrouwen dat hij zich met een normaal stemtimbre wel zou weten te redden uit de situatie.

Had zij hem gezien? Flash. Daar kwam een zin van haar voorbij uit de discussie. Gevolgd door een sneer van zijn kant. Hoe was het ook mogelijk dat zij, toen hij de ratio het meest eigene van de mens had genoemd, had geantwoord dat het meest eigene de religie is. Want, zo had ze er smalend bij gezegd, geloven kunnen dieren nog minder dan nadenken. En dat hij gezegd had dat als dat zo was, hoe het dan toch kon dat er zo’n goedgelovig schaap voor hem zat. Hij had het wel subtieler willen verwoorden, maar de woorden waren nu eenmaal zo uit zijn mond ontsnapt. Een ad hominem, dat wist hij ook wel, maar dan wel een met blijk van veel humor, zo had hij zijn eigen wangedrag vergoelijkt.

Zij was niet beginnen te huilen, zoals de meeste deden. Nee, deze niet. Zij was beheerst opgestapt, had haar verkreukte jas van de stoel onder de arm genomen en had na twee flinke passen de deur met een enorme metalige klap dichtgeslagen. Een halve minuut later nog leek ze na te trillen, de deur, maar dat kan ook zijn eigen gestel geweest zijn dat op het einde van het gesprek zijn argumentatie heftig kracht had moeten bijzetten.

De deur van zijn kantoor was dicht gebleven en hier in de kapel wilde hij ongemerkt wegsluipen en de dag beginnen alsof de ochtend een valse start was. Een die ze bij de herhalingen nooit meer laten zien en gemakkelijk vergeten kan worden, zonder dat daar iemand mee in het ongelijk word gesteld. Deze ochtend kon eenvoudigweg worden overgedaan en niemand zou ooit vragen waar hij die ochtend tussen 7 en 8 was geweest. De deur van de kapel zou voor altijd dicht blijven.

Toen:
"U hier?"
Hij draaide zich om en moest in zijn hoofd zoeken naar de kamers waar de begroetingen liggen opgeslagen: “ggggoedemorgen juffrouw Lindemans” zei hij zoals hij elke ochtend op de afdeling het personeel begroette (maar dit keer zonder dopplereffect).
"Ik wist niet dat u.."
"Nee, ik ben ook niet.."
"Maar u vindt hier wel troost, begrijp ik?"
"Ja, maar niet op een gelovige manier. Ik bedoel: alleen op mijn manier, als individu, en niet zoals de meeste mensen".

"Dus niet zoals ik?" vroeg ze. Haar stem verried een zeldzaam samengaan van woede en medelijden.
Nee, dat bedoelde hij niet. Wat ik bedoel is, en nu begon hij te fluisteren:
"We weten toch allemaal dat dit onzin is, maar de doden kan je geen enkele gunst weigeren".

Het koste haar moeite om niet opnieuw weg te rennen, maar ze wist zich te bedwingen:
"Mag ik vragen voor wie u deze kaars dan brandt?", vroeg ze, met al het lef dat ze in haar tengere lijf verzameld had.
In de stilte die volgde brak de zon door het glasraam en viel recht op Maria met kind.
Hij bewoog zich naar de lichtstraal zodat de zon recht op zijn kruin viel. Het viel haar nu op dat zijn intelligentie eerder aan zijn hoofd viel af te lezen dan uit het wat schlemielige stemmetje waarmee hij zijn wijsheden placht te verkondigen.

“Voor allen die niet Verlicht zijn en het ook nooit zullen worden", sprak hij, "want zij zijn het, de onredzamen, die hun eigen leven nauwelijks wisten te leiden, zij zullen zonder hulp van de weldenkenden, ook nog een ongelukkig einde kennen. Natuurlijk, in principe zijn zij onze hulp onwaardig zolang ze volhouden dat Hij (capitale H) hun grote Redder is. Maar gooi ze in een bad en kijk wie Hij heeft leren zwemmen, dan zal..”

Krrrrk...tsjok...rrrrrrr ..tttk...ttkk Hij werd in zijn betoog onderbroken. Dat was hij niet gewend. Iedereen liet hem uitpraten. Juist om die reden vond hij interviews maar niks. Hij zocht - slechts schijnbaar onverstoord - naar een nieuwe aanhef om verder te gaan toen de houten spanten in al hun voegen begonnen te kraken. Een gekraak dat steeds luider werd, en zich vermengde met een mechanisch gerochel van houten balken, roestige scharnieren en oud stof. Klang. Door de echo knalden de balken met een oorverdovende klap tegen de zuilen aan. Klong. En weer een. De hele beuk door, acht zuilen lang. Het enorme geratel deed haar verbazing teniet. Discussiëren had hier geen zin meer. Ze keken elkaar in de ogen en zagen elkaar zoals ze nooit eerder gezien hadden. Zijn aangezicht schreeuwde om begrip, gedrenkt in hulpeloosheid. Haar ogen liepen over van medelijden voor deze onprofessorabele aanblik en zochten in zijn bevreesde pupillen een focus om wat komen zou toch op zijn minst samen te doorstaan. Even leek het alsof door de helse herrie de koude stenen muren zouden begeven en heel het witgekalkte dak van de kapel recht naar beneden zou komen. Wat betekende het dat zij hier samen met deze man op die manier haar einde zou vinden? Dat was het laatste wat ze zich afvroeg net voordat de chaos zich langzaam maar zeker transformeerde in een begrijpelijke en voorspelbare opeenvolging van geluiden. Een reusachtig mechanisme zette zich in beweging, daar recht boven hun gebogen hoofden en ze hoorden de klok acht keer slaan. Hoog tijd om de dag te beginnen.

Stijn Sieckelinck is redactielid van Felix & Sofie

83

Stijn Sieckelinck