Norms, values & burgership

door Stijn Sieckelinck

(23 mei 2009)

Op Goede Vrijdag jongstleden was ik tweemaal getuige van verkeersgeweld. De eerste keer sloeg een autobestuurder een fietser in elkaar. Die was namelijk tegen zijn spiegel aangereden. Nauwelijks vijf minuten later sloeg een andere fietser een auto in elkaar. Die stond te wachten op zijn oversteekplaats. Het was alsof de stand weer gelijk moest worden gezet. En ik hoorde mezelf denken: als dit Goede Vrijdag is, dan ben ik wel heel benieuwd wat Stille Zaterdag ons dit jaar brengen zal...

Twee keer prijs in vijf minuten. Twee keer een voorval in de publieke ruimte waarbij het gedrag van de één niet gepikt wordt door de ander. Twee keer ook werden de normen en waarden netjes in ere hersteld. Balkenende zou trots zijn. Mensen durven elkaar weer aan te spreken op straat en nemen het niet langer dat sommigen de boel voor anderen verstieren. Nederland is eindelijk weer één.

“Normen en waarden”, deze bij uitstek Nederlandse uitvinding, duikt in 2005 ook in Vlaanderen op in beleidsstukken. En terecht, zult u zeggen, want op de internetsite ‘normenenwaarden.nl’ lezen we “Normen en waarden zijn een niet meer weg te denken fenomeen in de huidige maatschappij” (sic). Laat een willekeurige Vlaamse politicus een middagje googlen en pats: Normen en waarden staan op de parlementaire agenda. Hoe zou de Vlaamse variant eruit zien, vroeg ik me af? Ik kon wel wat bedenken over discipline en geknepen billen, maar mijn gedachten waren bij die arme asielzoekers die op het inburgeringsexamen vragen moesten gaan beantwoorden over de Vlaamse normen en waarden.
Toen nog leek de Nederlandse uitvinding bezig aan een stevige opmars tot ver buiten haar grenzen. Tot ongeveer een jaar geleden op een congres in New York. Daar hadden de aanwezige deskundigen geen flauw idee wat een Nederlandse onderzoeker nu eigenlijk bedoelde met zijn ‘lack of norms and values among Dutch teenagers. Tot zover de opmars. Niemand van de aanwezige buitenlandse experts begreep hem, laat staan dat iemand een gepaste vertaling kon suggereren. De betekenis die het begrippenpaar is gaan representeren is nu eenmaal nauwelijks vertaalbaar. Dat hoeft op zichzelf geen probleem te vormen. Ook woorden als Goesting of Gezellig zijn nauwelijks uit te leggen in New York. Maar de linguïstische onhandigheid van deze uiterst deskundige collega is wel degelijk problematisch. Zij is immers tekenend voor de beperktheid van het Nederlandse debat over jongerenaangelegenheden. Afgaande op wat we lezen in de krant, wat we zien op tv, maar ook wat gefinancierd wordt als jeugdonderzoek lijkt het alsof we in Nederland alleen maar nog kunnen praten over jongeren in het licht van normen en waarden. Zes van de acht publicaties van het Nederlandse Jeugdinstituut over het lokale jeugdbeleid maken melding van probleemgedrag in de titel. Alsof lokaal jeugdbeleid alleen maar hoort uit te zoeken hoe je ervoor kan zorgen dat jongeren hun omgeving niet verstoren. Een dergelijke verhouding van 6 op 8 geeft niet alleen een totaal vertekend beeld van de jeugdwerkpraktijk. Het is ook symptomatisch voor de gevoelige verarming van ons pedagogisch vocabulaire over jeugd. En het is aan de filosoof om dit te doen inzien.

Op het gebruik van de term, die trouwens niet door Balkenende, maar door zijn illustere kabinetslid Heynsbroek van de LPF gemunt werd, zijn al eerder verschillende kritieken geformuleerd: het is een containerbegrip waarin veronachtzaamd wordt dat normen iets heel anders zijn dan waarden; het heeft een moralistische bijklank; en het schiet zijn doel voorbij omdat het veeleer een symbool is geworden dan een echt inhoudelijke term.
Mijn kritiek is veel gevoelsmatiger: Je zal verdorie maar als kind onder dit kabinet opgroeien en de hele dag bestookt worden met dat doortrapt retorische normen en waarden-mantra dat overal klinkt, niet alleen op alle scholen, maar ook in parken, voetbalclubs, popfestivals...tot in (zo zien we dadelijk in het filmpje) de sportvisserij. Heel de dag door niet begrepen worden en helemaal niks gevraagd worden behalve dan in de pas te lopen omdat dit beter zou zijn voor iedereen. Een dikke vette Boeieuh! van Rob Wijnberg is hier wel op zijn plaats. Wat een tergend saaie boel. Je zou van minder recalcitrant worden.

Of je zal als toekomstige ouder maar een kind op de wereld willen zetten. Waarom zetten wij kinderen op de wereld? Opdat ze zich aan n&w zouden houden! Over ressentiment gesproken. Ressentiment is een giftige reactie uit onmacht of afgunst over waardegeladen zaken, die uiteindelijk tot zelfvernietiging leidt. En ja, dit is een dreigement. Want precies dit mechanisme hebben we zien floreren in de discussies over het gebrek aan normen en waarden. Bij ressentiment wordt de oorzaak van de onmacht niet gezocht in zichzelf maar men wijst een schuldige buiten zichzelf aan, bijvoorbeeld de jongeren die nog volop hun waarden aan het ontwikkelen zijn. Een kernbegrip in ressentiment is negativiteit. In het Nederlandse jeugdbeleid worden jongeren geportretteerd als afwijkend, lui, lastig en onaangepast. Ze drinken te snel en te veel, ze roken en ze hebben veel te vroeg seks. Maar ze worden niet alleen als dusdanig geportretteerd. Zoals ik al zei, ook onderzoek naar jongeren zal op 1 van deze probleemgebieden moeten focussen, anders is er geen belastinggeld beschikbaar. De door ressentiment aangetaste beleidsmaker vergaart zo een ziekelijke voldoening door het met negativiteit injecteren van diegenen tegen wie zijn ressentiment gericht is. Vanuit N&w spreken we over: regels, afspraken, preventie, repressie, avondklokken en overlast. Maar slachtoffers van ressentimentele maatregelen, zo leert de psychologie ons, begrijpen steeds minder vaak de tegen hen gerichte haat en negativiteit, een begrip dat bepalend is voor de toekomstige relatie tussen de aanvaller en het slachtoffer. Dat belooft voor de toekomst. Dus exit “normen en waarden”? Het verdict is aan Kooten en De Bie (filmpje Wormen in Naarden)

Misschien kunnen we meer met de term burgerschap. Burgerschap, mijn collega zou misschien zeggen ‘burgership’ maar in het Engels hebben ze een veel mooiere term: daar heet het ‘citizenship’. Ship ipv schap. Het is dan ook een kwestie van niet uit de boot vallen. Iedereen doet mee naar eigen vermogen, en dat is niet eens een heel enge gedachte. In elk geval een tikkeltje warmer dan ‘normen en waarden’. En zeker even bruikbaar.
Want wat doen we bijvoorbeeld met jongeren die zich vervelen? Wat met het toenemende probleem van keuzestress, die kan leiden tot besluiteloosheid? Hoe het gebrek aan betrokkenheid bij jeugdigen begrijpen? Maar ook: wat zit er achter de radicalisering van een kleine groep jongeren ? Blijkt dat we voor dit soort vraagstukken helemaal nergens staan met onze normen en waarden. Jongeren zijn ook bezig met vragen zoals ‘wat wil ik met mijn leven? Wat vind ik dat er in de straat, de wijk, de wereld zou moeten veranderen? Allemaal vragen waarvan de antwoorden ver buiten de normen en waarden retoriek vallen. Misschien is meer spreken over burgerschap een strategie om het belang van deze vragen opnieuw op de kaart te zetten. De vraag is dus: kan spreken in termen van burgerschap ons winst opleveren, die we, collectief verblind door onze normen en waarden-obsessie laten liggen?

Vanuit burgerschap spreken we over: dromen, ambities, idealen, activiteiten, samen jong zijn, commitment, toewijding en kritische vorming. Dat zijn heel andere termen. In de oren van velen klinken die als naïef en soft. Het zij zo. Maar hoe meer termen, formuleringen en discoursen we gebruiken, des te meer kans dat we ook werkelijk inzicht vergaren in de vaak moeilijk te begrijpen leefwereld van jongeren. Ook de term ‘burgerschap’ kan dit werk niet helemaal alleen doen. Spreken over burgerschap is maar één strategie. Ik pretendeer niet dat we hiermee kunnen volstaan. Maar er zit in ieder geval iets in dit alternatieve discours, wat voorheen ontbrak, en dat is een perspectief ofwel: hoop.

Hoop, zo analyseert de Belgische politiek filosofe Chantal Mouffe, en niet consensus of het oplossen van problemen is voor de politiek wat zuurstof is voor mensen. Voor Mouffe gaat burgerschap er juist om de regels van de politiek te herschrijven. Het politieke terrein is niet neutraal. Het is in zekere zin de inzet van de politieke strijd zelf; in die strijd wordt het terrein gevormd of hervormd.
Ik had het al over radicalisering. Wanneer mensen niet langer geïnteresseerd zijn in politiek, of hun toevlucht nemen tot intolerante en fundamentalistische groeperingen, dan komt dat in hoofdzaak omdat de democratische partijen hen te weinig solide alternatieven bieden. Het liberale consensusdenken verhindert dat we de rol van non-rationele factoren - zoals sentimenten, dromen, passie, fantasie, verlangen, ontgoocheling en hoop - goed begrijpen. Mouffe daarentegen beschouwt juist deze motivaties als een drijvende politieke kracht. “I had a dream”, zei Martin Luther King. Hij zei niet dat hij een oplossing had bedacht, een rationele consensus die het conflict van de baan zou helpen.

De notie van hoop, zo schrijft Patrick De Vos die Mouffe goed gelezen heeft, is verbonden met die van menselijke emancipatie. Als we ons als mens beknot voelen in onze potentiële ontwikkeling, creëren we een soort toekomstbeeld waarin we die limitaties overstijgen, een ideaal. Zo’n denkbeeld, waaruit we hoop putten, geeft richting aan ons streven. Hoop is wat onze sociale horizon voedt. Die hoop is in principe onuitroeibaar; maar zij kan op verschillende manieren en in verschillende richtingen gemobiliseerd worden. Wanneer de democratie er zelf geen ruimte voor schept, door fundamentele dissensus toe te laten, dan zal zij zich uiten op een negatieve manier: als een uitgestoken middenvinger naar het establishment, een stem tégen de afwezigheid van hoop.

Waar deze hoop in het normen-en waarden verhaal nauwelijks van tel was, verschijnt zij in deze opvatting van burgerschap als primair. Zonder hoop kan iemand zich wel aan normen-en waarden houden, maar zonder hoop kan iemand geen burger zijn. Het is dan ook aan ons om niet toe te geven aan de schandalige versmalling van ons pedagogisch vocabulaire over jongerenkwesties, die door het normen-en waardenoffensief werd ingezet. Praten in termen van burgerschap kan ons helpen om de discussie over ons gedrag in de publieke ruimte weer wat adem te geven, het heeft mij in elk geval geholpen om te begrijpen wat er die Goede Vrijdag voor mijn ogen gebeurd was.

2 x was ik immers getuige van verkeersgeweld. Twee keer prijs in vijf minuten. Twee keer werd mooi geïllustreerd dat onze omgang met elkaar om iets meer vraagt dan een fetisj voor normen en waarden. Burgerschap is niet elkaar wijzen op de afspraken die we met zijn allen zouden gemaakt hebben. Burgerschap is niet elkaar berispen en corrigeren omdat ze zich niet aan mijn waarden houden. Burgerschap is vooronderstellingen nagaan die een bepaalde situatie hebben veroorzaakt, met de intentie het gegevene te forceren en de toekomst beter te maken. Als mijnheer niet met de auto was komen boodschappen doen, had er niemand tegen zijn spiegel kunnen rijden. Als de gemeente wat meer ruimte aan de fietser had gegeven, had hij zich niet tussen tramrails en geparkeerde wagens in moeten wurmen. Natuurlijk, als mijn tante ballen had, was het mijn nonkel. Hoop bedient zich nu eenmaal van beelden die ondenkbaar zijn. Maar durven het ondenkbare denken, en het lef hebben om dit in de publieke, politieke arena te verkondigen, zou dat niet zijn wat burgership inhoudt? Misschien wel, misschien ook niet. Ik sluit mij voorlopig aan bij Paul Frissen, die schreef in het NRC:
Als het kabinet een handvest voor verantwoordelijk burgerschap gaat opstellen wil het eigenlijk zijn eigen volk kiezen... Ik wijs er nog maar eens op: de kern van democratisch burgerschap is dat we het in een democratie gelukkig niet eens hoeven te worden over wat burgerschap is.

Stijn Sieckelinck is redactielid van Felix & Sofie

82

Stijn Sieckelinck