Een doekje voor het emanciperen

door Rinus Vermuë

(1 juni 2001)

Van Frankrijk is de hoofddoekaffaire nu ook naar Nederland overgewaaid. Commentatoren, columnisten, feministen en rechtsgeleerden hebben hun meningen geventileerd over het afwijzen van draagsters van hoofddoekjes voor functies bij Opzij of ter rechtbankgriffie. Ook vanuit filosofische hoek is er wat over te zeggen.

plaatje Dat het hoofddoekje op de Zwolse rechtbank een ongewenst kledingstuk is, kan al bevreemding wekken (wordt vrouwe Justitia niet in elke rechtszaal voorgesteld met een hoofddoekje dat voor haar ogen is gezakt?), nog verbluffender is het om te horen dat de hoofdredactrice van het feministische Opzij geen hoofddoekje aan de redactietafel wil. Want, aldus Cisca Dresselhuys, ‘de hoofddoek is het symbool van een manier van denken die ervan uitgaat dat de vrouw de ondergeschikte is van de man’ (Opzij, april 2001).

Wanneer het nu om vrouwen zou gaan die het hoofddoekje uit overtuiging als uiting van een fundamentalistisch systeem gebruikten, kan men zich inderdaad afvragen of zij een feministisch redactie kunnen versterken. Anders is het met vrouwen die de hoofddoek niet als symbool van het systeem zien, maar hem gebruiken als attribuut in een zoektocht naar identiteit of als paspoort om ’s morgens de deur uit te mogen om naar school of werk te gaan. Zijn die ook zo fundamentalistisch?
Het is een typisch postmoderne neiging in allerlei systemen het fundamentalisme op te sporen, en daarmee het geheel als fundamentalistisch af te doen, met inbegrip van alle mensen die er genuanceerder over denken. Maar daarmee help je nog niet iemand op weg in de emancipatie, noch een systeem om zeep. Integendeel zelfs. Je frustreert er menige moslimvrouw mee, blijkens de felle reacties.
Misschien berust alle commotie op de verschillende kijk op ‘emancipatie’. Oorspronkelijk is het de vrijstelling uit de vaderlijke greep, en het heeft in de twintigste eeuw de betekenis gekregen van gelijkberechtiging. Emancipatie zou dan eigenlijk moeten leiden tot gelijke kansen voor man en vrouw, zwart en wit, etc. Dat daar nog bitter weinig van terecht gekomen is, laten de cijfers zien (3 % van de topfuncties wordt door vrouwen bekleed; er is welgeteld één allochtone burgemeester).
Maar emancipatie is ook het losmaken van woorden, attributen en andere betekenisdragers, uit een dominant systeem, om ze vervolgens in een voor de betreffende groep positieve betekenis te herwaarderen. In het geval van de hoofddoekjes: ze staan symbool voor een onderdrukkend systeem, maar kunnen uit dat systeem worden losgeweekt en in een voor het vrouwenbewustzijn positieve connotatie worden omgesmeed. Analoog aan de roze driehoek, die in de nazi-tijd gebruikt werd als merkteken voor homo’s, aan dat gehate systeem is onttrokken en tot een fier embleem van de homobeweging is gemaakt.
Stuart Hall, Brits socioloog van Jamaicaanse afkomst en postmodernenvreter, beschrijft aan de hand van de Rastabeweging eenzelfde mechanisme: zwart, altijd geconnoteerd met Het Kwaad, werd op een goed moment uit het dominante betekenissysteem gedearticuleerd, zoals Hall het noemt, en binnen een andere keten van connotaties geherarticuleerd. Zo werd ‘black = evil’ omgekeerd tot ‘black = beautiful’.
Postmoderne hardliners zien in dit soort bewegingen weer de kiem van een nieuw fundamentalisme. De andere keten van connotaties vormt immers weer een nieuw systeem met dezelfde akelige trekjes.
Het is echter de vraag of de onderdrukte mens ooit zonder een systeem op de kaart kan worden gezet. Emancipatie in de zin van gelijkberechtiging houdt in: zich conformeren aan het nog immer vigerende ‘dominant white male system’ (gelijke rechten nietwaar), maar als hij/zij daar niets voor voelt dan is het einde oefening. Dan moet ze (M/V) maar naamloos terug naar aanrecht of getto. Een betere mogelijkheid lijkt me, en dat is de moraal van dit stukje, dat emancipanten de woorden en attributen heroveren die tegen hen zijn gebruikt, zoals de zwarten en de homo’s hebben gedaan – zonder er een fundamentele leer van te maken.

Zou er nu ook geen lesbo met een roze driehoekje bij Dresselhuys aan tafel mogen, of een niet-ontkroesde zwarte? De redactrice doet er beter aan eerst eens naar de betrokken personen zelf te luisteren, in plaats van haar eigen ‘kennis’ van de islam eroverheen te plamuren. Daarmee kit ze elke porie tot zelfreinigende werking dicht. Emancipatie is niet voltooid als moslimmeisjes aan de leiband van Dresselhuys gaan lopen, maar wanneer ze aan hun hoofddoekjes een stoere eigengereide betekenis hebben kunnen geven, die niets met fundamentalisme te maken heeft.

Rinus Vermuë is filosoof en biologisch boer

7

Rinus Vermuë