Het vermoeiende gezonde verstand

door Rosalie de Wildt

(8 maart 2005)

Zo, daar zitten we dan. Het is weer gelukt. Overal vandaan gekomen en op tijd weer binnen. De afgelopen twee uur hebben we allemaal wat gegeten. Sommigen hebben de tijd genomen om met aandacht te genieten van zowel het prepareren als het verorberen van hun maaltijd. Maar anderen zijn nu al nauwelijks meer in staat zich te herinneren wt het was waarmee ze zojuist gedachteloos en gehaast hun lichaam aan het voeden zijn geweest. Er moest nu eenmaal tempo gemaakt worden om op tijd te zijn voor het gestelijke voer dat deze samenkomst-op-niveau ons maandelijks tracht toe te dienen.

plaatje De klok op de schoorsteen of het horloge om de pols is een praktisch hulpmiddel om op tijd te kunnen komen. Ooit hebben we met elkaar afgesproken de tijd in gelijke stukjes van minuten en uren en dagen in te delen, en daarom ook kunnen we u bijvoorbeeld op een avond als deze, een tijdschema van het voorbijkomen van de verschillende onderdelen aanbieden, zodat u in ieder geval steeds weet hoe lt het is. Dus dat er hoog in de Zwitserse bergen ontelbare ijverige en bijziende mannen, met slanke spitse vingers eeuwenlang zorg gedragen hebben voor het construeren van koekoeksklokken en allerlei andere tik-takkende of tingelende tijdsmechanieken, terwijl hun vrouwen jodelend de was ophingen, daar mogen we alleen maar dankbaar voor zijn.

Wat bezielt de Franse filosoof Henri Bergson dan toch als hij, nu ruim honderd jaar geleden, weer eens vragen gaat stellen bij die nuttige tijdsindeling? Het verhaal gaat dat hij, net na zijn afstuderen, als docent filosofie aan een middelbare school, zijn leerlingen de paradox van Zeno over Achilles en de schildpad voorlegt, wellicht in de hoop de boel wat levendiger te maken. U kent het verhaal. Achilles en de schildpad houden een hardloopwedstrijd. De trage schildpad mag met voorrang starten. Volgens Zeno zou Achilles de schildpad nooit in kunnen halen, want in de tijd die hij nodig heeft om de schildpad te passeren, heeft de schildpad toch ook weer een stukje van het pad af kunnen leggen. Nu weten we allemaal dat Achilles de schildpad natuurlijk gemakkelijk voorbij zal lopen. Het lijkt alsof Zeno, ondanks zijn op het eerste gezicht logische manier van redeneren, de werkelijkheid niet bereiken kan.

Bergson vertelde zijn leerlingen dat het feit dat ons menselijk verstand dit verhaal als een schijnbare tegenstelling ervaart, een duidelijk voorbeeld is van de manier waarop we gewend zijn te denken.

Zenos bewegingen bestaan in zijn redenering blijkbaar uit opeenvolgende stukjes en zijn dus deelbaar. Het verstand vat tijd op als iets meetbaars, net als ruimte. Met dat idee bevinden we ons overigens in goed gezelschap, want Aristoteles bedacht al driehonderd jaar voor Christus dat tijd een kwantiteit moet zijn: het nu, zei hij toen al, en trouwens ieder moment in het verleden, heden en toekomst, is vergelijkbaar met een, langs een lijn bewegende, punt.

De paradox van Zeno leert ons echter, zegt Bergson, dat we de werkelijkheid nooit zullen kunnen reconstrueren vanuit een reeks onbeweeglijke punten. Niet het vaste en gedetermineerde is het fundament van de werkelijkheid, maar het ondeelbare en veranderlijke. Die ondeelbare en veranderlijke tijd noemt Bergson: duur of echte tijd.

De stroom van de echte tijd kunnen we niet van de beweging loskoppelen, werkelijke tijd s beweging. Sterker nog: het is de duur die alles laat bewegen en veranderen.

Waar is voor ons horlogekijkers, die echte tijd nu aan te herkennen? Bevond ik me in de duur als ik als kind opging in het leven van de stekelbaarsjes in een boerensloot, meestal met een zwierige grasspriet tussen de tanden? Ben je misschien in de werkelijke tijd als je naar muziek luistert en ineens zelf muziek wordt? Of als je ergens hoog in de bergen na een zware klim uitrust op een warme steen en er even geen onderscheid is tussen jou en de rotsen en de zon?

Kortom op al die momenten dat je de abstracte tijd vergeet?

Ons verstnd houdt zich bezig met indelen, opslaan en het afsluiten van al die ontelbare zaken die niet direct voor het voortbestaan nodig zijn. Kleine kinderen worden aangespoord om hun verstand te gebruiken en daar bedoelen we dan mee dat ze de hen omringende wereld zo snel mogelijk moeten leren verdelen in controleerbare stukken. Een lepel is om soep mee te eten en de hete houtkachel, daar moet je vandaan blijven. Je moet k dank je wel zeggen, als je net blij bent met wat je krijgt. Ouders weten hoeveel energie het kost om hun kinderen zover te krijgen dat ook zj hun gezonde verstand gebruiken.

Nu willen kinderen best gehoorzamen, want niemand houdt ervan buitengesloten te worden, maar zij weten vaak nog best dat het verstand maar een hulpmiddel is, net zo iets als hun schep in de zandbak. Een uiterst belangrijk stuk gereedschap weliswaar want je verplaatst er nu eenmaal gemakkelijk veel grotere hoeveelheden zand mee. Maar gelukkig is de schep niet het enige waarmee je in de zandbak kunt spelen, want dat zou knap saai worden.

Je kan bijvoorbeeld ook met behulp van een emmertje wter kledderige oliebollen bakken of je kunt het zand zomaar op je hoofd strooien en als je je hoofd hard schudt een zware woestijnstorm veroorzaken.

Ons verstand is als de schep in de zandbak: uiterst nuttig, maar ontoereikend.

Jammer genoeg hebben we geleerd, zowel in het dagelijks leven, als in de wetenschap, ons voornamelijk op de schep te verlaten. Maar hoe hard we ook ons best doen, en hoe moe we daar dan ook van worden, z leren we de zandbak nooit echt kennen.

Om de werkelijkheid te leren kennen, zegt Bergson, zouden we er goed aan doen ons vermogen tot intutief denken aan te leren spreken. Het gaat hem hier niet om de handige intutie, die ons in veel zelfhulpboeken tegen de klippen op wordt aanbevolen als middel tot succes in het leven. Nee, Bergson presenteert het intutieve denken als een filosofische methode. Een methode waarvan Gilles Deleuze zelfs zegt dat het de meest uitgewerkte methode in de geschiedenis van de filosofie is. Bergson beschouwt het intutieve denken in ieder geval als een veel exactere manier van denken, omdat het ons brengt bij de beweging van de echte tijd en dus bij de stabiliteit en het fundament waaruit het leven zelf is opgebouwd....

Je zou er toch vrolijk van worden van al die beweging en de bijbehorende vrijheid je eigen leven vorm te geven. Maar als, aan het eind van de dertiger jaren Bergson ontmoedigd raakt door weer een wereldoorlog verliest hij zijn optimisme in de mogelijkheid van de mens zijn eigen vooruitgang te creren. Hij ziet dat de duur niet alleen in het proces van de evolutie van het hele omniversum, maar ook binnen n de mens, een tegenwerkende en verlammende kracht in zich herbergt. Een remmend mechanisme dat het proces van vrijheid en creativiteit steeds weer danig verstoort.

k vind het wel opluchtend dat remmende mechanisme door hem benoemd te zien. Ik ken die ervaring van vallen en opstaan en het telkens weer teruggetrokken worden naar het gebruik van het gezonde verstand, dat aanspoort tot gedwee aanpassen, goed.

Maar, als Bergsons soort vooruitgang toch steeds weer afgeremd wordt door een mechanisme van verstarring, is het dan niet beter om gewoon maar weer over te gaan tot de orde van de dag? Het gezonde verstand te laten zegevieren? En als we daar te moe van worden misschien maar een gedicht schrijven of een flink eind gaan hardlopen. Zo erg is dat toch niet?

En gelukkig zijn er, als niets meer helpt, de marktgerichte hulpverleners in alle soorten en maten. Ze hebben een dagtaak aan het bestrijden van het exploderende burn-out verschijnsel en menig prettig buitenhuis is reeds aangeschaft als gevolg van deze lucratieve bezigheid.

Het zou Bergson geen recht doen het verhaal over zijn tijdsopvatting hier te eindigen. Het is vast nooit zijn bedoeling geweest ontmoediging teweeg te brengen. Integendeel. Het overgrote deel van zijn werk blaakt van levenslust.

Hij is een filosoof en dus iemand die niet bang is subjectiviteit als k een belangrijke pijler bij het bedrijven van wetenschap te zien. Zo kon hij mij vertellen dat de duur te herkennen is aan een gevoel van diepe vreugde. De natuur, zegt hij ergens, heeft ons bij het herkennen van de echte tijd een handje geholpen, want het is simpelweg z dat vreugde het signaal is dat je je in de duur bevindt. Natuurlijk wijst hij er nog op dat het hem niet gaat om het plezier dat vooral verre busreizen en erg gezellige verjaardagsfeesten kunnen verschaffen. Het gaat om de intense vreugde van het opgaan in iets dat je zlf vorm geeft. En dat kan gebeuren bij het scheppen van een kunstwerk maar ook bij het plukken van rijpe aardbeien uit eigen tuin, terwijl je kind het mandje vasthoudt.

Vreugde laat zich voelen als beweging het wint van verstarring.

Als aandacht belangrijker is dan aanzien.

Rosalie de Wildt is afgestudeerd filosofe aan de VU

63

Rosalie de Wildt