Een blokje om voor de Verlichting

door Sjoerd de Jong

(8 februari 2005)

Van Immanuel Kant is bekend dat hij regelmatig een wandeling maakte door zijn woonplaats Konigsberg. Vaste route, vaste routine. Straatje om, laan in, laan uit – en dat was het dan weer, voor deze grootste denker van de achttiende eeuw.

Tegenwoordig nemen herauten van de Verlichting geen genoegen meer met een contemplatief blokje om. Een luidruchtige stoet van Verlichters trekt in een permanente schelle processie door krantenkolommen en langs camera’s, om de westerse cultuur te waaschuwen tegen gevaar en decadentie. En in plaats van noeste arbeid, en de uitdaging om zelf na te denken, schotelen deze radicale verlichters ons iets heel anders voor: een kant en klare wereldbeschouwing die de mensheid opdeelt in beschaafden en barbaren, verlichten en verduisterden, seculieren en gelovigen, en natuurlijk: universalisten en relativisten.

De terugkeer van de grote woorden is het meest markante intellectuele gevolg van de serie schokken die sinds 11 september 2001 ook Nederland uit balans heeft gebracht. We spreken op hoge toon, nee we brullen, weer over het Westen, de islam, Verlichting en moderniteit. Het zijn begrippen en generalisaties die jarenlang niet zonder nuancering, kanttekening of relativisering konden worden gebruikt – althans, niet in de beperkte kringen waar ze op zijn minst dan toch maar werden gebruikt, en dat waren die van de sociale wetenschap en de linkse intelligentsia.

In Nederland veranderde dat al kort na het aanbreken van het nieuwe millennium, toen de oplopende spanningen omtrent de multiculturele samenleving tot uitbarsting kwamen. De teleurstelling van het tweede paarse kabinet, en de stormachtige opkomst van Pim Fortuyn, deden de rest. Een middenklasse die zijn toenemende welvaart, en zijn ongenoegen over problemen met veiligheid en immigratie, niet of onvoldoende vertaald zag in politieke macht, en een stagnerende onderklasse die een uitaatklep zocht voor tal van sociale frustraties, vonden hun held in de ontheemde politieke avonturier Fortuyn. Een self made man die zowel de verworvenheden van de jaren zestig belichaamde – openlijk homoseksueel, een levensgenieter en zelfs narcist – even goed als de afkeer van de excessen van die tijd, in zijn romantische hang naar een volkseenheid en nationale gemeenschap.

Fortuyn was ook een eclectische intellectueel, die zijn columns en boeken doorspekte met grote woorden over de westerse Verlichting, de kernwaarden van onze cultuur en het nationale karakter. Hij stond daarmee middenin het afscheid van een tijdperk dat in intellectueel opzicht wars was van essentialisme – het vastleggen van het wezen der dingen - en dat een open oog had voor het sociaal geconstrueerde karakter van allerlei begrippen, dus voor hun contingentie en veranderlijkheid. Fortuyn sprak vrijmoedig en onbekommerd over het Westen, de islam, de Verlichting – en opende daarmee een heel politiek-intellectueel discours voor een geemancipeerde middenklasse die zich in de paternalistische paarse bestuurscultuur bekneld had gevoeld. Mat Herben moet een van de eerste parlementariers zijn geweest die het woord ‘moderniteit’ in de mond nam, even makkelijk als 'plan van aanpak’ of 'herstructureringsnota’.

Fortuyns boeken draaiden om die moderne ‘kernwaarden’ van de westerse cultuur, een centrale boodschap die geen Paarse partij had uitgedragen. De geestdrift voor Fortuyn was ook: enthousiasme van de welvarende middenklasse voor een man die in zijn ambities net zo werd afgeknepen als zijzelf, maar die hen, in plaats van een rancuneleer, een geleerde en toch zeer begrijpelijke boodschap gaf van nationale eigenwaarde. Zo hopeloos elitair en idiosyncratisch de democratische lessen van het postmodernisme waren geweest – over onderdrukkende ‘machtsvertogen’ over vrouwen en etnische minderheden bijvoorbeeld – zo hoopvol ongecompliceerd, en toch beschaafd, was de chauvinistische boodschap van Fortuyn: wij zijn de besten, en wel hierom. Cultuurhistorische begrippen als ‘moderniteit’ en ‘Verlichting’ deden hun ingang in de Tweede Kamer door toedoen van Fortuyn en bij monde van Mat Herben, de voormalige defensie-voorlichter, vrijmetselaar en vliegtuigspotter die na de moord op de leider fractievoorzitter werd van Fortuyns LPF.

De gebruikelijke reductie van Fortuyn tot alleen maar een personalistische vertolker van groot maatschappelijk ongenoegen, ziet zijn belangrijkste bijdrage aan het publieke debat in Nederland over het hoofd: de democratisering van een rudimentair en globaal intellectueel discours over nationale en culturele identiteit.

Zijn Nederland was een land dat niet meer ongelukkig en verweesd was, maar dat zowel de rationele zegeningen van de Verlichting als de warme gemeenschapszin van de Romantiek kende, en waar de premier zowel vader als moeder van het volk zou zijn. Fortuyn was met andere woorden helemaal geen vijand van de politiek-correcte politics of identity, ondanks zijn hameren op het inburgeren van vreemdelingen. Hij droeg alleen een identity uit die een maatje groter was dan normaal.

Zijn Nederland was een nieuwe constructie, een romantisch-verlichte stadsstaat-met-dorpsplein, die juist niet was geworteld in de concrete Nederlandse geschiedenis maar in een simpele, abstracte formule van ‘westerse kernwaarden’. Fortuyn had zijn opvattingen over het Westen verzameld bij uiteenlopende westerse denkers, maar putte juist opvallend weinig uit Nederlandse bronnen en wijdde, voor een culturele patriot, betrekkelijk weinig woorden aan de concrete Nederlandse historische situatie. Zijn Nederland was een gedroomd Nederland.

De herleving en democratisering van grote woorden, zoals Fortuyn die gebruikte, is met andere woorden geen terugkeer naar een authentieke culturele situatie zoals die voorafgaand aan het relativistische postmodernisme bestond. Integendeel, het nieuwe, handzame gebruik van grote beschavingswoorden is zelf een postmodern verschijnsel. Het duidt op de groeiende behoefte aan simpele universele codes en kaders, naarmate in de alledaagse werkelijkheid traditonele loyaliteiten afkalven en de oude, bekende grenzen vervagen tussen culturele, religieuze en nationale identititeiten.

De constructie van een nieuwe, persoonlijke identiteit die is opgewassen tegen, of aangepast aan, de eisen van de moderne, onzekere spektakelmaatschappij, valt ook op bij de wereldwijde religieuze herleving die zich aan het voltrekken is, zoals bij de jonge moslimfundamentalisten waar Fortuyn zich tegen afzette. De religieuze herleving van godsdiensten als islam en christendom is vooral een zaak van jonge mannen en vrouwen, nieuwe lichtingen gelovigen die oude banden en tradities afzweren en met een herbouwde identiteit door het leven gaan. Zowel voor het born again christendom in Amerika als voor de neo-islam geldt, dat de boodschap van de religie wordt afgeslankt tot een handvol praktische regels en moralistische richtlijnen, ontdaan van ingewikkelde theologie en lokale culturele tradities.

Zoals Nederland dankzij het Fortuynisme en zijn filosofische nazaten, een aangepaste, versimpelde zelfdefinitie heeft gekregen met behulp van slogans over de moderniteit en deVerlichting – een zelfdefinitie die niet zozeer onwaar is, alswel geamputeerd en verarmd – zo wenden jonge moslims zich tot een rudimentaire, moralistische versie van de islam. In beide gevallen wint de slagzin het van de subtiliteit, de behoefte aan zekerheid het van de noodzaak tot zelfkennis. Het zijn tot handelswaar omgesmeden, op maat gesneden definities van een zenuwzieke mondiale cultuur die zich bevindt in een turbulente toestand van ontworteling, gevaar en geweld.

Voor de manier waarop wij in het Westen onszelf begrijpen, heeft het geamputeerde culturalisme van de conservatieve filosofen, publicisten en andere voorvechters van de Verlichting, gesteund door de angstaanjagende oorlogssituatie waarin we verkeren, onthutsende intellectuele gevolgen. Soms lijkt het publieke debat over de Verlichting, over religie en politiek, over de vrijheid van meningsuiting of die van godsdienst een rechtstreekse maar karikaturale reprise van de intellectuele debatten over dezelfde onderwerpen in de achttiende en negentiende eeuw. Om het op zijn Nederlands uit te drukken: welke kleine stap voor een mens, maar grote voor de mensheid zetten onze moderne secularisten en atheisten vergeleken met Kants Kritik der reinen Vernunft of David Hume’s Dialogues Concerning Natural Religion? Met andere woorden, de herleving van een met vlinderdas gepresenteerd en klantvriendelijk soort rationalisme is geen afrekening met het gewraakte postmoderne gebrek aan diepgang en ernst, maar integendeel zelf een uiting ervan.

In werkelijkheid is de Verlichting een rijkere, complexere, aanzienlijk minder eenduidige cultuurhistorische traditie. Historisch onderzoek en fiosofische analyse brengen steeds meer de nuances, dilemma’s en dubbelzinnigheden van de Verlichting over het voetlicht: er zijn nationale varianten onderscheiden van de Verlichting – in elk geval een Schotse, Franse, Duitse – met hun eigen kenmerken, en daarbinnen weer een gelaagdheid tussen de ‘hoge’ Verlichting van de intellectuele elite en de ‘lage’ van pamflettisten, gematigde en meer ‘radicale’, waartoe de historicus Jonathan Israel in zijn invloedrijke Radical Enlightenment het spinozisme rekent.

Meer dan de onstuitbare rationalistische triomf die er nu van wordt gemaakt, was de Verlichting het tijdperk waarin de Europese cultuur met vallen en opstaan, soms hardhandig en dan weer zeer geleidelijk, brak met letter en geest van het dogmatische christendom en met de nog steeds aan Plato en Aristoteles schatplichtige wetenschap. Dat was geen eenduidige, monolithische ontwikkeling: er was niet een Verlichting, er waren er vele, en die waren niet alleen nationaal gegroepeerd – de Schotse, Franse en Duitse Verlichting, elk met hun eigen karakter - maar ook intern ambivalent, soms zelfs tegenstrijdig. Het denken van de Verlichters was bovendien intiem verstrengeld met wat later zou worden beschouwd als het grote tegendeel ervan: de Romantiek, die de nadruk legde op gevoel en particulariteit in plaats van rede en universalisme, en die de voedingsbodem werd voor een anti-modern irrationalisme dat door Isaiah Berlin is aangeduid met de verzamelnaam ‘de contra-Verlichting’.

Die harde en overzichtelijke tweedeling – de Romantiek als parallel universum van de Verlichting - is ondergraven door modern, nauwgezet onderzoek naar het denken van de grote filosofen en schrijvers uit die periode. De Verlichting, aldus bijvoorbeeld de historicus Louis Dupre, was geen tijdperk van ‘statisch rationalisme’ maar van een ‘dynamische wisselwerking’ tussen een nieuw universalisme dat al snel bekritiseerd werd als eenzijdig, en een particularisme dat werd verdedigd in precies de termen die de Verlichting had geijkt: kritiek in plaats van dogmatiek, authenticiteit in plaats van navolging, en individualisme in plaats van autoritarisme. Zulke waarden, die door de Romantiek hoog werden aangeslagen, waren niet alleen producten van intellectueel verzet tegen de Verlichting, maar evengoed pogingen die tot in haar consequenties te doordenken, ook in de minder wenselijke.

De erfenis van de Verlichting is vooral: een benadering van filosofische, politieke en sociale vraagstukken die wordt gekenmerkt door een niet-dogmatisch rationalisme, en door een open oog voor context, nuance en geschiedenis. Dat zijn ook belangrijke elementen in wat nu vaak smalend genoemd wordt: cultuurrelativisme.

De huidige versmalling van de Verlichting tot simpelweg een heerschappij van de liberale rede, is begrijpelijk in een tijd van gevaar en dreiging, maar daarom niet minder verwerpelijk. Om historisch-intellectuele redenen, omdat het een panklare karikatuur maakt van de Verlichting. Filosofen van de Verlichting zochten een nieuwe verhouding tussen het algemene en het particuliere die aan beide recht deed, niet naar een manier om het een tegen het ander weg te strepen.

Ook om meer maatschappelijke redenen is de verschraling van het zelfbeeld van de westerse cultuur door de voorvechters van een nieuw, rationalistisch culturalisme verwerpelijk. Zo’n benadering doet immers precies wat het cultuurrelativisten verwijt: het vergroot de afstand tussen mensen, sluit ze op in hun cultuur (die ze eerst moeten afleggen om bij ons te kunnen horen), en verheft verschillen van vooral historische toevalligheden tot metafysische wezenskenmerken. Een moslim kan in zo’n opvatting nooit een goede Nederlander worden zonder eerst op te houden moslim te zijn; een gelovige nooit een moderne burger zonder zijn geloof op te geven; een communist nooit een geloofwaardige gesprekspartner zonder eerst zijn verleden af te zweren, et cetera. In plaats van een instrument om overeenkomsten tussen mensen te ontdeken, binnen hun eigen concrete verschillen, wordt de Verlichting hier een zwaard voor scherpslijpers tussen goed en kwaad. Een laks multiculturalisme, dat mensen in hun sop laat gaar koken, is niet goed voor minderheden in de westerse samenleving – maar vernederend Verlichtingsdogmatisme evenmin.

Universalisme en relativisme, de zoektocht naar het algemene en de concrete aandacht voor het andere en het particuliere in menselijke samenlevingen, horen beide tot het domein van zelfonderzoek dat wij tegenwoordig, met een onhandige verzamelnaam, de Verlichting noemen.

Sjoerd de Jong is redacteur bij NRC Handelsblad

62 / Laatst gewijzigd: 03-Sep-2006

Sjoerd de Jong