Nieuwe filosofie

door Hans de Vries

(11 januari 2005)

Door de nieuwe roman van Joke Hermsen, De profielschets, beweegt zich een vrouw die de naam Det van Vliet heeft meegekregen. Zij is al twaalf jaar verbonden aan de afdeling wijsbegeerte van de Universiteit van Amsterdam. Een echte filosofe dus. Ze is aio geweest, heeft braaf onderzoek gedaan en is gepromoveerd. Na haar promotie is zij postdoc geworden, haar aanstelling is nog eens verlengd, en nu is ze al een tijdje invalkracht voor zieke docenten.

Ze heeft zich gespecialiseerd in tijd, en daar is eerlijk gezegd niets mis mee, want we mogen er dan langzaam maar zeker achterkomen dat tijd eindig is, erg bevredigend is dat inzicht niet en eindig of niet, tijd blijft een eigenaardig fenomeen waar we onze vingers maar moeilijk achter kunnen krijgen. Het laatste woord is er nog niet over gezegd. Tijd kan dus nog best wat wijsgerig onderzoek gebruiken. Det heeft dat onderzoek op zich genomen, zij heeft zich over de tijd ontfermd, al twaalf jaar, in dienst van de universiteit, maar in een aaneenschakeling van tijdelijke baantjes zonder enig uitzicht op een vaste aanstelling. Zo duikt ze op in dat boek van Joke Hermsen.

Dat boek is niet echt een aanrader. Het is af en toe wat stroef van stijl, er zit nauwelijks ontwikkeling in, en weinig spanning. Er gebeurt niet zoveel, en wat er gebeurt speelt zich af op ťťn dag, een vrijdag in januari. Verder is het een boek met een hoog dorpspompgehalte. Wie een onderhoudend boek wil lezen kan veel beter Casino van Marja Brouwers nemen, of Complot tegen Amerika van Philip Roth, en zo kan ik nog wel even doorgaan. Er zijn zoveel spannende boeken. Dat hoef ik u niet te vertellen.

Dat neemt allemaal niet weg dat dat boek van Joke Hermsen, De profielschets, wel verplichte literatuur is voor mensen die belangstelling hebben voor Amsterdamse filosofie. Die mogen dat boek niet missen, want die dorpspomp waar het in dat boek over gaat is nu precies de afdeling wijsbegeerte van de Amsterdamse universiteit, en ik kan u zeggen, het is heel onthullend, dat kijkje in de keuken van de Amsterdamse filosofie, en niet alleen onthullend, het is ronduit ontluisterend om te moeten lezen wat die Amsterdamse filosofen daar aan die universiteit met elkaar en vooral ook tegen elkaar zitten te bekokstoven. Wie nog in de veronderstelling mocht verkeren dat filosofen wel wijzer zijn, wordt door De profielschets ruw uit de droom geholpen.

Alleen onze Det, Det van Vliet, doet niet mee aan het gekonkel en gekuip, aan het geslijm en geflikflooi, aan het zelfingenomen gekakel dat toonaangevend is in de afdeling. Niet omdat Det zoín recalcitrant type is, want dat is zij juist niet. Eigenlijk is ze een vlak karakter, best een beetje treurig ook, niet opgewassen tegen de heersende stromingen in de filosofie, maar ook weer te onhandig om zich gewoon met de stroom mee te laten dobberen. Ze is veel te argeloos, zodat zij zich in die slangenkuil van de filosofie nooit echt op haar gemak kan voelen. Ze wordt af en toe dol van dat multidisciplinaire gedoe om haar heen, voelt zich soms opgesloten in een muffe academische kerker, ziet haar eigen werk alleen maar als geploeter in de marge, en wordt regelmatig overvallen door ernstige twijfels aan zichzelf. Tijdens een vakgroepvergadering houdt ze een flauw verhaaltje over de ondergeschikte rol die sinds de oudheid in de wijsbegeerte voor vrouwen is weggelegd, en als ze dan de hele filosofische mannenkliek over zich heen krijgt, pakt ze haar spullen, licht haar hielen, trekt de deur van het instituut achter zich dicht en weet: Dat was het dan. Nooit meer filosofie. Afgelopen, uit.

Welbeschouwd heeft Det natuurlijk groot gelijk. Want filosofie lijkt wel heel gewichtig en heel serieus en heel diep vooral ook, maar waar is het bij nader inzien nu toch goed voor, wat draagt het bij, wie wordt er wijzer van, wat zijn we er in al die eeuwen nu helemaal mee opgeschoten. Wie de moeite neemt om even bij deze vragen stil te staan, ziet al gauw in dat die filosofie vooral tot gedrochtelijke taal heeft geleid, tot hoogdravend gezwatel, tot virulente illusies en tot uitzichtloze verwarring.

Aan de universiteit wordt die verwarring alleen maar aangewakkerd. Daar is niemand meer die op de vraag Wat is filosofie een eenvoudig antwoord kan geven. Sterker nog, filosofie bestaat daar niet eens. Er bestaat alleen een toenemende hoeveelheid verschillende filosofieŽn die elkaar in de weg staan, elkaar voor de voeten lopen, elkaar verdringen, elkaars bestaansrecht bestrijden of proberen te ontfutselen, of in het gunstigste geval elkaar de rug toekeren en niets meer van elkaar willen weten. Je hebt filosofie van de wetenschap, van de politiek, van de geschiedenis, van de natuur, van de techniek, van het onderwijs, en allemaal menen hun beoefenaren op hun specifieke terrein de waarheid in pacht te hebben. Rechtsfilosofie, milieufilosofie, taalfilosofie, existentiefilosofie, allemaal menen ze recht te hebben op een optrekje in het universiteitsgebouw en daarom binden zij de strijd aan met de filosofie van mens en maatschappij, de filosofie van kunst en cultuur, de filosofie van het bewustzijn, en dan vergeet ik nog filosofie van de levenskunst, van de reclame, van het management en van de communicatie. De uitkomst van al die rivaliteit is uiteraard een enorme wijsgerige warboel.

Het kan ons dan ook niet verbazen dat Det van Vliet het in het boek van Joke Hermsen voor gezien houdt aan de universiteit. Ze trekt de stoute schoenen aan, zegt haar tijdelijke baan vaarwel en gaat de stad in om zomaar wat te dwalen. Zij laat het stadsleven, de mensen, het verkeer, de straten en grachten diep op zich inwerken. Zij heeft natuurlijk groot gelijk. Toch is het zeer de vraag of zij het daar voor de rest van haar leven bij kan laten, want vroeg of laat steken opnieuw vragen de kop op met een wijsgerig karakter. Als de lotgevallen van Det iets duidelijk maken, is het wel dat het de hoogste tijd is voor een nieuwe filosofie, en daar zou ik hier dan ook een potje voor willen breken en ik wil onderstrepen dat nieuw in dit geval wil zeggen echt nieuw, dus niet alleen maar een beetje opgepoetst of in een nieuw jasje of van een ander etiket voorzien, maar zo nieuw dat er niets meer van dat oude, pathetische, pretentieuze, pedante aankleeft. De enige filosofie die daar volgens mij voor in aanmerking komt, is filosofie van de koude grond.

Dat is een filosofie die zich het hoofd niet laat verhitten door het broeikaseffect, en zich evenmin het hoofd op hol laat brengen door groene stroom. Een filosofie die epistemologische aporieŽn uit de weg gaat, maling heeft aan de iterabiliteit van het complexe en het beste kan worden beoefend in het vrije veld. Dat betekent erop uit, dwalen door de geestgronden waar straks vlak voor onze voeten honderd duizendvoudig de krokussen en narcissen openspringen en waar we alle prikkels kunnen herleiden tot het pure genieten. Nu zou je kunne zeggen dat dat helemaal geen filosofie is, maar gewoon wandelen, zoals dat wekelijks door talloze mensen wordt gedaan, gewoon een NS dagwandeling van Lisse naar Noordwijk of daaromtrent, om een frisse neus te halen, te ontsnappen aan de zondagse verveling, stevig de pas erin te zetten en de verontrustende berichten uit de zaterdagkrant te laten wegzinken. Het is maar hoe je het noemt, en ik noem dit voor deze gelegenheid nieuwe filosofie. Dus lopen over de dijk, het hoofd in de wind zodat die oude filosofische ballast eruit wordt geblazen. Dan ontstaat er vanzelf ruimte voor woorden met kloten, doortrokken met een paar vleugen poŽzie van het land, spruiten en boerenkool, boom, roos, vis, weide, bok, schapen. De klanken alleen al verspreiden een zuiverheid die in het huidige filosofische klimaat ver is te zoeken. De wereld verschijnt in een uitnodigend en weldadig licht en de geest geeft graag aan deze uitnodiging gehoor, slaat zijn vleugels uit en voelt zich na enig zweven helemaal in zijn element. De Hollandse lucht ligt kalm over het landschap en laat aan klaarheid niets te wensen over. De schijn is meer dan genoeg en hoeft niet met veel misbaar te worden opengebroken alsof daarachter nog een echte werkelijkheid schuil zou gaan. Dubbelzinnige reclame, gierende trams, dreunende housebeats, afrekeningen in de onderwereld zijn hier ver te zoeken. De nieuwe filosofie heeft de stad achter zich gelaten.

Toegegeven, de indruk kan postvatten dat het hier gaat om de zoveelste romantische vlucht uit een weerbarstige werkelijkheid, een welkome uitweg voor watjes die niet de moed hebben om de onzekerheid van het bestaan te verduren, maar dat is natuurlijk onzin. Het gaat om een ultramoderne, toekomstige wijze van denken en als de tekenen niet bedriegen dan hebben we vandaag een belangrijke stap in de goede richting gezet. Want we menen misschien dat we ons met elkaar in het hart van Amsterdam bevinden, slechts tien stappen verwijderd van de plek waar meer dan zeven eeuwen geleden de grondsteen voor deze stad werd gelegd, in een van die straatjes die door hun vorm nog doen denken aan het middeleeuwse stadsleven waaruit onze borrelende en spetterende metropool is voortgekomen, maar we hebben het mis. In werkelijkheid hebben we gehoor gegeven aan onze heimelijke behoefte aan landelijkheid, zijn de randstad ontstegen en zijn nu samengeschoold in de Twentse club. De Twentse club, dat lijkt me bij uitstek een broedplaats voor filosofie van de koude grond.

Hans de Vries is kunst- en cultuurfilosoof aan de UvA

61 / Laatst gewijzigd: 03-Sep-2006

Hans de Vries