Waar gaat het eigenlijk om?

door Hans de Vries

(14 oktober 2004)

Waar gaat het eigenlijk om? Nou, het gaat natuurlijk om geld. We kunnen wel denken dat het om prépensioen gaat, of om de bevoegdheid tot het afgeven van bankgaranties, of om het gedogen van soft drugs, of om het uitzenden van uitwedstrijden van het Nederlands voetbalteam, maar het gaat natuurlijk gewoon om geld. En als het niet om geld gaat, dan gaat het wel om macht. We kunnen wel denken dat Amsterdamse kroegbazen te bedonderd zijn om ’s nachts na enen nog een pilsje te tappen, of om op een mooie voorjaarsdag hun terrasstoelen buiten te zetten, maar het gaat om een meerderheid in de deelraad van stadsdeel Centrum. Het gaat dus gewoon om macht.

plaatje Als je je even probeert voor te stellen wat er op dit moment allemaal uit de kast wordt gehaald om straks te kunnen bepalen wie de machtigste man ter wereld wordt, dan is dat duidelijk. Bij alle registers die er worden opengetrokken, bij alle trucs die er worden uitgehaald, gaat het om macht. En als het niet om macht gaat, dan gaat het wel om seks. We kunnen wel denken dat het om roem gaat, of om het beoefenen van topsport, of om modieuze kleding, of om een nieuwe geurlijn voor mannen, of om het werpen van filantropische blikken naar de ander, maar het gaat natuurlijk om seks. En als het niet om seks gaat, dan gaat het wel om snelle auto’s. We kunnen wel denken dat het gaat om voertuigen die doeltreffend zijn als mensen zich van A naar B willen bewegen, en om de uitbreiding van het wegennet omdat er steeds meer voertuigen nodig zijn waarmee mensen zich van A naar B kunnen bewegen, maar daar gaat het helemaal niet om. Het zal die mensen een zorg zijn waarheen zij zich in hun voertuigen bewegen. Het gaat gewoon om snelle auto’s. Of het nu terreinwagens zijn, of sportwagens, of limousines, zij moeten glanzen, snelheid maken en hun motorvermogen op hun eigenaar afstralen.

Dat lijkt me in eerste instantie voldoende antwoord op de vraag waar het eigenlijk om gaat. Om geld, of om macht, of om seks, of om snelle auto’s. Als we het perspectief iets ruimer nemen, dan rijst al gauw het vermoeden dat die vier iets met elkaar te maken hebben. Van verschillende zijden wordt daar de aandacht op gevestigd. Vorige week las ik in De Groene, en ik citeer: “Er zijn subtiele overeenkomsten tussen het vloeren van het gaspedaal, zoals dat heet, en het moment suprème.” Zij grijpen in elkaar, niet alleen seks en auto’s, ook geld en macht. Het gaat misschien zelfs wel om alle vier tegelijk. Samen vormen zij de vervulling van de diepste wensen. Want wie wil dat nu niet. Als mensen ze niet hebben, dan dromen ze er wel van, en ze zijn tot de gekste dingen bereid om die droom werkelijkheid te maken. Iedereen wil dat.

Op deze regel zijn maar weinig uitzonderingen. Heiligen vormen een uitzondering. Die hebben van die aanvechtingen geen last, maar die zijn dood, en als het gaat volgens de gebruikelijke procedures zal het nog een aantal eeuwen duren voordat in Rome wordt vastgesteld wie van de nu levenden heilig verklaard zullen worden en dan is het te laat, want dat maken wij niet meer mee. Naast de heiligen, die er niet meer zijn of die er nog niet zijn, is er nog een andere mensensoort die een uitzondering vormt, en dat zijn mensen die met filosofie bezig zijn. Die hebben niets met geld en macht en seks en snelle auto’s. Die doorzien dat met groot gemak als pseudo-bevrediging en schijngenot. Die hebben een heel andere belangstelling. Die begeven zich bijvoorbeeld een keer per maand naar Felix & Sofie omdat ze daar zaken krijgen voorgeschoteld waar ze over na moeten denken, omdat daar filosofische vragen worden aangesneden, en dat willen ze, nadenken over filosofische vragen.

Laat ik een voorbeeld nemen. Een klassieke filosofische vraag luidt: Wat moet ik doen? Een heel herkenbare vraag, lijkt me, die zich in uiteenlopende situaties opdringt. Als je de trein hebt gemist en de volgende gaat over een uur, of als je uit de bioscoop komt en je fiets is gejat, of je bent op verjaarsvisite bij je tante en je laat een stuk bosvruchtentaart van je vorkje afvallen, bovenop het beige rokje van je buurvrouw, dan is de vraag uitdrukkelijk: Wat moet ik doen. Nu is daar gelukkig een heel klassiek filosofisch antwoord op: Je moet zo doen dat je kunt willen dat de maxime van je handelen een algemene wet wordt. Hele generaties filosofiestudenten hebben dat vlijtig uit hun hoofd geleerd zodat zij het in voorkomende gevallen paraat hadden en niet om een antwoord verlegen hoefden te zitten. Toch is het nog uitkijken met dat antwoord. Die woorden kunnen je zo aan het denken zetten dat je helemaal niet meer toekomt aan wat je eigenlijk moet doen. Je moet bijvoorbeeld boodschappen doen, of eindelijk een keer je moeder opbellen om te vragen hoe het met haar gaat, of de energierekening betalen, of stofzuigen, om maar een paar eenvoudige dingen te noemen, maar het komt er niet van, want je hebt je handen vol aan het piekeren over de vraag wat je nu precies moet doen om zo te doen dat je kunt willen dat de maxime van je handelen een algemene wet wordt, en gedurende dat piekeren heb je niet in de gaten dat het met het beantwoorden van filosofische vragen al net is als met stofzuigen. Je maakt het huis aan kant, je maakt schoon schip, smetteloze vloer, ziet er uit om door een ringetje te halen, maar intussen blijft het stof neerdwarrelen, en na een paar dagen hebben zich nieuwe stofnesten gevormd en na een week kan je weer aan de gang. Met die filosofische vragen is het net zo. Je vindt een antwoord, je voelt je verhelderd en voldaan, maar al snel begint dat vragen toch weer op te spelen, dan dient de volgende vraag zich aan en kan het zoeken opnieuw beginnen.

Dat heb je bijvoorbeeld met de vraag naar de zin van zijn. Dat is overduidelijk een filosofische vraag. Voor degenen die nog niet zo goed thuis zijn in de filosofie: Het is de vraag waar Heidegger zijn boek Zijn en tijd mee begint. Eigenlijk is die vraag de vertaling van ons onderwerp. Want wat is de vraag naar de zin van zijn anders dan filosofenjargon voor de vraag waar het eigenlijk om gaat? Goed, de vraag naar de zin van zijn. Het stomme is dat er op die vraag geen pasklaar antwoord is. Heidegger is wel een eind gekomen. Hij leert ons dat, willen we die vraag kunnen beantwoorden, eerst het antwoord op de vraag naar de zin van het er zijn moet worden gevonden. Er zijn is heel iets anders dan zijn, dat moet u nu maar even van me aannemen. Nou, het antwoord op de vraag naar de zin van het er zijn is de zorg, en dat is natuurlijk een prachtig antwoord, maar dan volgt onvermijdelijk de vraag naar de zin van de zorg. Welnu, de zin van de zorg is de tijdelijkheid, en ook dat klinkt best overtuigend, maar wat is nu de zin van de tijdelijkheid, en tja, daar komt Heidegger niet uit. Hij laat ons er mooi mee zitten, en zo zijn we uiteindelijk nog niet veel wijzer, en intussen hebben we nog steeds die boodschappen niet gedaan, en als we de energierekening niet tijdig betalen zitten we straks in het donker en dan heb ik het nog niet eens over de vraag hoe je aan voldoende saldo op je bankrekening moet komen om die rekening te kunnen voldoen, want laten we wel wezen, filosofisch gesproken is dat geen kleinigheid. Een hele schare filosofen van het dagelijks brood heeft zich daar het hoofd over gebroken.

Dat brengt me op het opmerkelijke feit dat filosofische vragen van de meest vanzelfsprekende zaken onoverkomelijke problemen kunnen maken. Wonderlijk is dat toch, alles loopt, het hele lieve leven gaat gewoon zijn gang, geld rolt, macht corrumpeert, seks verkoopt en hier en daar weet zelfs een snelle auto de weg van A naar B te vinden. De hele kermis is in vol bedrijf, en dan zijn er filosofen die met hun vragen een spaak in het wiel menen te kunnen steken. Zij moeten zo nodig vraagtekens plaatsen bij de mens als levend wezen, bij de wereld als zodanig, bij de vermogens van onze zintuigen of van onze rede, bij de bakermat van onze moraal en nog een paar van die schijnbaar gewichtige zaken die voor gewone stervelingen evident zijn. Met veel omhaal van woorden proberen zij die stervelingen van hun innig gekoesterde illusies te beroven. Als koningen treden zij op, die met hun inzichten wel eens eventjes orde zullen scheppen in de geestelijke janboel van hersenschimmen, dwaalwegen en waanvoorstellingen. Wat een eigendunk. Wat een ongelooflijke zelfoverschatting. Alsof dat rondstrooien van vraagtekens de loop van de geschiedenis ook maar een ogenblik zou kunnen verstoren. Dat kunnen die filosofen wel willen, en zij kunnen zich wel inbeelden dat zij met hun geestelijke activiteit de wereld uit haar koers kunnen brengen, maar dat lukt toch echt niet. Het maatschappelijk leven kan het heel goed stellen zonder filosofische inmenging. Politiek en economie hebben echt geen filosofische pottenkijkers nodig en in de cultuurindustrie speelt filosofie geen rol van betekenis. Het beoefenen van filosofie, het denken over zelfverzonnen problemen, het opwerpen van als hinderlijk bedoelde vragen, is niet anders dan onschuldig vermaak van een stelletje zonderlingen die maar niet willen begrijpen waar het eigenlijk om gaat.

Tot zover het onderwerp Waar gaat het eigenlijk om, want dat lijkt me op deze wijze afdoende behandeld. Nu tot besluit nog een korte epiloog.

Filosofie mag dan een onschuldig en onschadelijk bedrijf zijn, het is toch niet helemaal zonder gevaar. Juist omdat filosofen niet begrijpen waar het eigenlijk om gaat, willen zij in het menselijk verkeer situaties nogal eens verkeerd inschatten. Immuun als zij zijn tegen doodgewone menselijke drijfveren en hartenwensen, worden hun bedoelingen vaak niet begrepen en lopen zij een verhoogd risico op aanvaringen, botsingen en heftige woordenwisselingen. Je zou ze kunnen zien als de brekebenen en brokkenpiloten onder de verkeersdeelnemers. Die andere verkeersdeelnemers zijn daar meestal wel tegen bestand. Die halen hun schouders op en gaan verder hun gang. Filosofen zouden tegen zichzelf in bescherming moeten worden genomen. Omwille van hun eigen veiligheid verdient het overweging om hen aan het menselijk verkeer te onttrekken en hen onder te brengen in een reservaat, een filosofentuin om zo te zeggen, een filosofentuin waarin zij zich naar hartelust aan hun hersenacrobatiek kunnen wijden. Om hun niet de indruk te geven dat zij helemaal nergens meer bijhoren, zou de tuin een pretparkachtige aankleding moeten krijgen, en opengesteld moeten worden voor publiek. Wie nieuwsgierig is naar het gedrag van deze buitenissige mensen kan daar dan een kijkje komen nemen en zich verbazen bij de aanblik van hun kunsten. Het zou uiteraard teveel gevraagd zijn als er entreegeld zou worden geheven. De kosten kunnen worden bestreden uit vrijwillige bijdragen van bedrijven en particulieren. U hoort mij niet zeggen dat dit filosofencafé zo’n filosofentuin is. Misschien doet het soms wel eens dienst als proefstation, maar daarna maakt het al gauw weer deel uit van het woelige en rumoerige en groezelige stadsleven, en bovendien: een café is een café, en geen tuin.

Hans de Vries is kunst- en cultuurfilosoof aan de UvA

58 / Laatst gewijzigd: 03-Sep-2006

Hans de Vries