Amsterdam Dream Alive

door Hans Kennepohl

(1 maart 2006)

De dwaas liep met een fietslampje op de Dam. “Ik zoek Amsterdam!”. De mensen met hun boodschappentassen stopten even. “Wij hebben Amsterdam gedood! Jullie en ik!” Maar de mensen vonden het maar een beetje raar en keken liever naar het levende standbeeld.

plaatje De provinciale Amsterdam Dream. Het leek me ooit het Walhalla van de vrijheid. Oké het hippiedom was vergleden, maar in de house doorklonk het one love en de stad moest nog vele sporen vertonen. En inderdaad, ik rookte opium in Donkey Kong, danste bij de Graansilo voor een nachtelijk Ij en bewonderde het ligbad in de verbouwde keet die doorging voor club Flightcase.

Tot daar vier uur ‘s ochtends een roedel leernichten binnenstormde. Ze waren verdacht nuchter en niet op zoek naar een sling. De club werd opgedoekt wegens “hinder”. In rap tempo volgden andere gelegenheden in de stad. De onweerlegbare mantra’s waren overlast, valse horeca-concurrentie en het ultieme ethische argument zonder maximum: de brandveiligheid.

Onversaagd fietste ik door, in mijn kleinburgerlijke hang naar minivrijheid. Altijd door rood licht, zelf nooit licht voerend maar wel altijd hoffelijk. Anderen geen schrik aanjagen, ook niet als zij zelf door rood rijden. Deze ongeschreven Amsterdam Bill of Rights voer ik nog steeds uit, ondanks alle controles. Alleen zet ik wél schlemielig m’n voorlicht aan zodra ik de petten zie. En ook mijn identiteitsbewijs heb ik niet bij me en hang zonodig een verhaal over mijn opa en de oorlog. Maar Do ist die Bahnhof, zo voel ik me de laatste jaren.

Nu zult u zeggen, waar maakt ie zich druk om: puberaal ranzen in het uitgaansleven, kwajongensgedoe met rood licht rijden of de moeite om een identiteitskaartje bij je steken. Maar naast mijn teder gekwetste romantische gevoelens is er wel degelijk iets fundamenteels aan de hand. Want vertrutting is stoppen met nadenken. Het is stoppen met kijken, voelen, je vasthouden aan dingen omdat het zo moet en de creatie van schijnveiligheid. Uit benauwdheid, luiheid of egocentrisme. Maar vertrutting woekert voort en houdt niet stil bij de voordeur van een ziekenhuis waar u aan het infuus ligt. Wilt u dan ook dat mensen zich precies aan de regeltjes houden en niet kijken en voelen wat er werkelijk aan de hand is?

Maar om dit betoog overtuigend te maken: het economische argument. De gouden sex-appeal van de Amsterdamse vrijheid is al tijden weg. Recent bleek uit onderzoek dat veel professionele “expats”, dé veelverdieners die we graag willen houden, weg willen uit Amsterdam. Voor homo’s was Amsterdam al jaren geleden van de wereldkaart verdwenen en het wachten is nu tot de Japanners en Chinezen dit ook door krijgen. Eigenlijk geeft de campagne het al aan: I Amsterdam. Ik Amsterdam. Individu Amsterdam. De algehele leefregel op dit moment is: je mag doen wat je wilt, zolang de ander er maar op geen enkele wijze last van heeft. Maar in een stad leidt dit tot de monomane terreur van het gestoorde mannetje dat zes huizen verderop geluidsklachten ondervindt.

Wat moet er nu gebeuren? Cohen moet vooral blijven roepen dat hij hard optreedt. Maar ondertussen opdracht geven de zero-tolerance weer eens wat te laten vieren. Deze staat letterlijk haaks op de door hem zo gewenste tolerantie. Hij geeft opdracht krakers het leven zuur te maken, maar ze wel laten zitten waar ze zitten. Broedplaatsen en mooie kunst ontstaan in de marge, niet in een gesubsidieerde setting. Maar wat zit ik nu te bazelen? Ook ik lijdt aan procesmatige vertrutting, zit naar de politiek te wijzen om iets te veranderen. De politiek is volgend, niet leidend en eerst moeten wij veranderen. Het moet het gewoon van u en ik komen.

Omdat ik niet op eigengereide Amsterdammers reken doe beleidsvoorstel, geheel polderproof, om Amsterdam weer iets te laten léven. Op elk huisadres in Amsterdam mag één keer per zoveel jaar een feest worden gegeven. Tot zes uur ‘s ochtends en gewoon lekker geluid dat twee muren mag doorklinken. Vooraf moet daarvoor op stadhuis een ontheffing worden aangevraagd, buren moeten een maand van te voren op de hoogte zijn en als het even kan moeten de buren welkom zijn. Want I Amsterdam moet worden Amsterdam leeft!

Maar

“Ik kom te vroeg” zuchtte de dwaas “het is mijn tijd nog niet”.

Hans Kennepohl is redactielid van Felix & Sofie en organisator van de Maand van de Filosofie

53 / Laatst gewijzigd: 03-Sep-2006

Hans Kennepohl