Revisme

door Rinus Vermuë

(1 mei 2005)

Enige jaren na zijn bekering tot het katholicisme blikt Gerard Reve terug op wat hij noemt zijn ‘bevrijding’: ‘Ik ontdekte een bepaalde verwantschap, een parallelliteit van mijn religieuze voorstellingswereld met die van de Rooms Katholieke Kerk. En, na al die jaren dat ik al in feite tot die geloofsgemeenschap had behoord, vond ik het fatsoenlijk nu ook maar toe te treden’. Reve zal het worst geweest zijn dat paus Johannes Paulus II homoseksualiteit een ‘objectieve stoornis’ genoemd heeft. De echte gelovige gaat voor de beleving van het mysterie en niet voor een of andere middeleeuwse stellingname daarachter.

plaatje De parallel met het katholicisme waarvan Reve sprak staat bekend als het revisme, dat door Reve zelf in een Avenue-interview aldus werd toegelicht: ‘Het Revisme - het woord is afgeleid van mijn naam - is die bepaalde vorm van liefdesverlangen, waarin de betrokkene aan het Objekt van zijn liefde een derde persoon (of personen) wil geven. Op een konkrete wijze voorgesteld: ik wil aan de Meedogenloze Jongen allerlei jongens geven, die ik zelf eveneens begeer, maar die ik mijzelf bij voorbaat ontzeg, om ze hem te offeren. Het revisme bevat als bestanddelen, het sadisme en het masochisme, maar is een derde nog mysterieuzer vorm van het seksueel Mysterie, en is de voltooiing van een allergeheimste drievuldigheid van de Liefde’.

De bekering tot de Moederkerk, op 27 juni 1966, bracht voor Reve een gevoel van bevrijding uit de kille wereld van intellectualisme. Het revisme werd echter niet direct in zijn zuivere vorm gebaard. In het jaar daarvoor had Reve in het eerste nummer van het tijdschrift Dialoog, tijdschrift voor homofilie en maatschappij, veel explicieter bedoelingen met zijn liefdesobjecten: ‘Als God zich opnieuw in Levenste Stof gevangen geeft, zal Hij als Ezel terugkeren, hoogstens in staat een paar lettergrepen te formuleren, miskend en verguisd en geranseld, maar ik zal Hem begrijpen en meteen met Hem naar bed gaan, maar ik doe zwachtels om zijn hoefjes, dat ik niet te veel schrammen krijg als Hij spartelt bij het klaarkomen.’

Een pater en een predikant reageerden geschokt, maar Reve wist van de prins geen kwaad: ‘De kans dat Hij Ezel zal worden, en dan ook nog met mij naar bed zal willen, is natuurlijk erg klein, maar bij God is alles mogelijk, en het komt mij godslasterlijk voor in dit opzicht enige incarnatievorm en enig gedrag van God bij voorbaat uit te durven sluiten. Als de Tweede Incarnatie zich zal voltrekken, zoals ik me die voorstel, dan verwacht ik dat Hij, met in het geheel niet omzwachtelde hoeven, pater J. Gottschalk m.s.f. zowel als de heer A.J.R. Brussaard, gereformeerd predikant, elk een enorme trap onder hun achterste zal verkopen’.

Dan schrijft Reve in Nader tot U wat er gebeurt als God zelf bij hem langs zou komen ‘in de gedaante van een éénjarige muisgrijze Ezel en voor de deur staan en aanbellen en zeggen: “Gerard, dat boek van je – weet je dat Ik bij sommige stukken gehuild heb?” “Mijn Heer en mijn God! Geloofd weze Uw Naam tot in alle Eeuwigheid! Ik houd zo verschrikkelijk veel van U”, zou ik proberen te zeggen, maar halverwege zou ik al in janken uitbarsten, en Hem beginnen te kussen en naar binnen trekken, en na een geweldige klauterpartij om de trap naar het slaapkamertje op te komen, zou ik Hem drie keer achterelkaar langdurig in Zijn Geheime Opening bezitten, en daarna een presentexemplaar geven, niet gebrocheerd, maar gebonden – niet dat gierige en benauwde – met de opdracht: “Voor de Oneindige. Zonder Woorden.”’

De onvermijdelijk volgende rechtzaak wegens godslastering, het ‘Ezelsproces’ genoemd, sprak hem vrij, overigens niet van godslastering, maar omdat het ‘bewezene niet strafbaar’ was. Reve ging in hoger beroep en het arrest van de Hoge Raad bracht in april 1968 volledige vrijspraak.

Raadsel blijft hoe de godsbeleving uit deze citaten heeft kunnen uitmonden in het revisme. De geleerden zijn hier nog niet uit. Mijn hypothese is de volgende. Reve raakte in ’66 verzot op de 17-jarige Robert B. uit Den Haag die vraagt of hij ‘zijn vader wordt’. Maar Reve zag het onmogelijke van zijn liefde in, zeker zo vlak voor het proces. De geraadpleegde psychiater Levie zei dat, als hij echt om Robert gaf, hij afstand van hem moest doen. Hij besluit dat op een haast religieuze manier te doen. Aan Josine M(eijer) schrijft hij: ‘Ik zal hem als Zoon evenmin opgeven als een dier haar jong, & zal dat ook niet doen. Maar het zal een kuise, romantiese verering moeten worden – moeilijk, maar toch ook groots, inspirerend & mogelijk ook zegenrijk voor beide partijen. Ik heb hem nog nooit intiem beroerd, noch zelfs naakt gezien. Dat moet zo blijven. Zou het anders gaan, dan zou de betovering verbroken worden, en zou ik hem voorgoed verliezen.’ Deze sublimerende daad van onthouding voelde voor Reve als een offer, dat hij in zijn sado-hiërarchische fantasieën geduid heeft als een offer gespijkerd aan het kruis van de Meedogenloze Jongen, die overigens ook heel goed Robert B. zelf zou kunnen zijn. Op de vraag hoe Reve zijn tijd zou doorbrengen als de Meedogenloze Jongen zijn knapen bezit, antwoordde hij: ‘Ik denk dat ik ergens geknield lig, alleen, een kaars ontsteek voor de Glorievolle en Gezegende Maagd etc. Ik behoef niets te zien of te horen, tenzij de Meedogenloze Jongen dat eist.’ Zo blijft de parallel van het revisme met het katholicisme herkenbaar, als viering van een broeierig-deemoedige boetedienst met zowel erotische als kuise trekjes.

Rinus Vermuë is filosoof en biologisch akkerbouwer te Luttelgeest

46

Rinus Vermuë