Journalisme

door Rinus Vermuë

(1 december 2004)

O, wat een krampbewegingen toch weer in de media – nee, dóór de media! Niet eerder zijn de media zo frequent te kijk gezet als boosdoeners. Het grappige is dat ze het zelf keer op keer moeten filmen/uitzenden/publiceren, omdat de geïnterviewden, of het nu gaat over normen en waarden of verdachten zonder balkjes, altijd weer afdwalen naar de funeste rol van de media. Vroeger hoorde je nog wel eens zo’n interviewer sputteren ‘ja, ja, de media hebben het weer gedaan’, maar je hoort ze niet meer. Ze laten iedereen maar uitrazen in de hoop weer snel tot het onderwerp terug te keren. Maar de veeg is dan al uit de pan en de ether door.

plaatje Een eerste journalistiek excuus luidt ongeveer: ‘We gaven alleen maar door! De microfoon stond open, en de geïnterviewde heeft de hele boel gefiatteerd! En nu gaat u zeggen dat wij, onschuldige lammeren, slaven van de media, het gedaan hebben!’

O, wat jammer dat we van zulke domoren voor onze nieuwsvoorziening afhankelijk zijn. Terwijl elke huisfotograaf weet dat ie niet, zoals Roland Barthes nog dacht, een analogon van de werkelijkheid aan het maken is, maar een hoogst persoonlijke selectie daaruit, denkt de journalist dat ie het loepzuivere venster op de werkelijkheid is, zonder inmenging of enscenering. Leugenaars, deze journalisten, want zoals elke afbeelder van de werkelijkheid grijpt hij in, moet hij ingrijpen, omdat hij niet onze ogen kan lenen om ons netvlies met de werkelijkheid vol te projecteren. Hij maakt daarbij gebruik van een medium – daaraan hebben de media hun naam te danken – en de vorm van dat medium vereist nu eenmaal wat schuiven met onderwerpen en wat comprimeren van de feiten.

Tweede smoes van de journalisten is dat ze nu eenmaal moeten blootleggen wat er in het volk leeft. Nieuws brengen heette dat nog in onbedorven tijden. Maar nu lijkt het dat als de kijkcijfers of de citeerfrequenties wat tegen vallen, de zeurnalisten nieuws maken. Zo zijn er altijd wel mensen te vinden die roepen dat een lastpak van hun part de tering kan krijgen, of zelfs dat ze, mochten ze hem voor de auto krijgen, gas zouden geven. Andries Knevel haalt een van die mensen voor de camera en ontlokt hem onder strenge blikken dat Wilders kanker mag krijgen. Hoera, zo is een doodgewone sufferd verheven tot extremist. En dan durft Knevel nog te beweren dat ie alleen maar wilde ‘laten zien wat er leeft’. Dat hij niet weet dat objectieve nieuwsgaring niet bestaat, zij hem vergeven. Maar dat hij een sufferd (= geen nieuws, dus geruststellend) opvoert als extremist (= zelfgemaakt en onrust stokend nieuws), daar mag hij van mij om branden in de hel waar geween is en journalistengeknars.

Ander voorbeeld leverde Volkskrant-redacteur Hans Wansink aan in zijn proefschrift ‘De Erfenis van Fortuyn’. Hij was medevervaardiger van het Volkskrant-interview met Pim Fortuyn dat als kop een citaat van Fortuyn kreeg ‘De Islam is een achterlijke cultuur’. Maar biecht hij nu op, zoiets zei Fortuyn niet. Wat hij wel zei, was: ‘Vanuit ons perspectief gezien is de islam een achterlijke cultuur. Maar vanuit hun perspectief gezien zijn wij achterlijk en van God los’ (p. 23). Zo is dus een cultuurrelativistische en relativerende opmerking (= geen nieuws) doormidden geknipt en als etnocentrische en beledigende uitspraak (= nieuws) in de krant gekomen. Ook Wansink vindt dat journalistiek nu eenmaal moet laten zien wat er leeft, maar laat zelf vooral zien welke fantasieën er in zijn eigen hoofd leven.

Nu zou ik eigenlijk moeten zeggen ‘de goede journalisten niet te na gesproken’ natuurlijk, maar ja, als een foute moslim in de media komt, zeggen de journalisten er ook niet bij dat de meeste moslims goed zitten.

Rinus Vermuë is filosoof en biologisch akkerbouwer te Luttelgeest

41 / Laatst gewijzigd: 03-Sep-2006

Rinus Vermuë