Het postmodernisme maakt slachtoffers onder gekken en reïncarnaties!

door Rinus Vermuë

(1 maart 2001)

De afgelopen zomer zei Geert Mak in Zomergasten dat er een toenemende trend was om zich te identificeren met slachtoffers. Zat vroeger in ieder gekkenhuis wel iemand die dacht dat ie Jezus Christus of Napoleon was, nu willen ze slachtoffer zijn – van Auschwitz, incest of zinloos geweld.

plaatje Ook Henk van Os maakt in zijn reliekententoonstelling ‘Op weg naar de hemel’ melding van zo’n verschuiving in de populariteit: eerst heiligen, dan helden, nu slachtoffers. Het dagboek van Anne Frank vormt nu het reliek van de nieuwe tijd.

Het is waar: slachtoffers zijn mateloos populair. Hele horden staan te dringen voor stille tochten met bloemen, buttons van compassie en een sip gezicht. Grootheidswaan wijzigt in slachtofferwaan. En noemde iemand zich vroeger de reïncarnatie van een Egyptische priester of een Tibetaanse lama, nu is hij slachtoffer. Zo onthulde Bram Vermeulen dat hij in een vorig leven een Belgische frontsoldaat uit WO I geweest is.

Voor de eerste overgang van heiligen- naar heldenverering waren goede redenen, aldus Van Os in de openingsvideo van zijn tentoonstelling in de Nieuwe Kerk op de Dam. Daar staan prachtige reliekschrijnen, met daarin relieken: voorwerpen of lichaamsdelen (of fragmenten daarvan) die hebben toebehoord aan heiligen, bijvoorbeeld de doornenkroon van Jezus, of het maagdenvlies van de heilige Ursula. De relieken werden aan gelovigen, zieken of stervenden getoond, tot heil en genezing, en als medicijn op weg naar de hemel.

Het ging mis toen er een jacht op deze relieken losbrak, die een reliekvermenigvuldiging veroorzaakte die niet was te rijmen met wat er werkelijk aan de zaligen zaliger kon hebben gekleefd. Dit kwam de katholieken op de hoon van reformatoren en humanisten te staan. Die wezen er fijntjes op dat er zoveel stukjes kruishout van Christus in omloop waren dat daarvan wel een hele ark van Noach gebouwd kon worden.

De hervormers verwijderden uit de kerken alles wat maar met die heiligen te maken had, maar bleken het toch niet te kunnen stellen zonder bijzondere figuren. Zo liggen in de Nieuwe Kerk uitgerekend op de plaats waar de katholieken vroeger hun relieken bewaarden, in de crypte, de stoffelijke resten van de Nederlandse volksheld Michiel de Ruyter, niet als religieuze helper, zegt Van Os, maar nu als voorbeeld.

Maar waarom identificeren mensen zich tegenwoordig zo vaak met slachtoffers? Geert Mak gaf een voorzet. Nu willen mensen slachtoffer zijn, waarschijnlijk, opperde hij, omdat de helden van hun voetstuk gevallen zijn. Wat dat betreft vertelde Mak in zijn tv-wandeltocht ‘In de voetsporen van Jacob van Lennep’ over diezelfde Michiel de Ruyter een saillante anekdote. De ‘Hollandse Waterleeuw’ schijnt menig zeeslag aan anderen overgelaten te hebben, terwijl hijzelf te kooi lag om zijn oorlogsbuit te begroten. Inderdaad, wie wil zich daar nou mee identificeren? Nee, dan slachtoffers, aan hen kleeft niet zo’n ranzig aureool van koopmansschraapzucht.

Bovenstaande verklaart waarom heiligen en helden hebben afgedaan, maar nog niet waarom slachtoffers zo in de mode zijn geraakt. Wat zien mensen in slachtoffers? Ik probeer een filosofische verklaring.

Een heilige die de martelaarsdood stierf was eigenlijk een fundamentalist avant la lettre, die op Gods woord andersgelovigen buitensloot, en die maar één weg zag naar de hemel. En Michiel de Ruyter streed voor een jonge natie tegen alles wat zich inmengde in vaderlandse aangelegenheden, en zag elke overwinning als een ‘ingrijpen van een voorzienig God ten bate van zijn uitverkoren volk’ (Jan Romein). Heiligen en helden destilleerden uit goddelijke tekens een rigide wereldbeeld, waarin maar één gelijk kon heersen.

Maar de tijden zijn veranderd. Alle –ismen, zo leren postmodernen, hebben hun fundering verloren. In de versie van Derrida: Elk teken draagt altijd de sporen van alle andere tekens, en is dus ook voor zijn betekenis aangewezen op de betekenis van al die andere tekens. Het goddelijke teken (hoe ver uit den hoge men dat ook zegt te horen) maakt daarop geen uitzondering. Zo is er ook niet meer sprake van DE weg naar de hemel, maar van een heel wegennet van talloze sporen, zonder hemelse finale.

We hebben dit anti-funderingsdenken kennelijk zo sterk opgezogen, dat we van geen heiligen of helden meer willen weten, noch hun grote verhalen willen horen. De interesse gaat juist uit naar de keerzijde van die verhalen. En wie is de icoon van deze keerzijde? Wie viel op het hakblok van een rigide wereldbeeld? Wie is vermorzeld in de marges van de geschiedenis? Wie is de ‘ander’ bij uitstek? Het slachtoffer. Bij voorkeur het jonge slachtoffer, dat bij leven nog de jeugdige frisheid had die voorafgaat aan elk systeem.

Nu schiet de weegschaal weer door naar een ander soort adoratie. Schuldeloze slachtoffers zijn zo hip dat er prijzen naar vernoemd worden (bij Trouw voor het beste filosofische essay). Nog even en 4 mei wordt omgedoopt tot Anne Frank-dag en de helden van de straatnaambordjes uit de Staatsliedenbuurt worden vervangen door slachtoffers van zinloos geweld.

Het moet niet gekker worden. Waar halen mensen vanop hun comfortabele zitvlees het lef vandaan om voor de vormgeving van hun eigen identiteit te parasiteren op andermans leed?

Rinus Vermuë is filosoof en biologisch boer

4 / Laatst gewijzigd: 02-Jan-2009

Rinus Vermuë