Een laatste groet

door Rinus Vermuë

(1 juni 2004)

Soms heb ik de neiging alleen citaten te schrijven die zeggen wat ik bedoel. Iedereen heeft al eens gezegd wat ik wil zeggen, en vaak nog beter. Maar terstond overvalt me dan de gedachte dat ik niets meer heb toe te voegen. Wat zal ik dan nog zeggen, als alles al gezegd is? Ben ik dan zo bijzonder dat ik al die citaten zo origineel kan ordenen dat men denkt, nou, nou, dat is niet mals. Ben ik niet gewoon een ordinaire plagiator die in de arena van de taal met citaten schermt? Ben ik niet net als ieder ander een middelmatige bewoner van de taal, door Borges niet voor niets een systeem van citaten genoemd? Is niet elke tekst zoals Kristeva zei een mozaiek van citaten? Zal ik er dan dus maar niet gelijk het zwijgen toe doen?

plaatje ‘Nee’, hoor ik een imaginaire lezer uitroepen, ‘nee, niet zwijgen, je bent heus wel anders dan de anderen. Zoals jij je citaten ordent, kan het geen een! Ik zie wel dat je alles gejat hebt, maar jij kan zo mooi jatten. Jouw plagiaat is zo uitzonderlijk dat niemand het als plagiaat herkent! Ook al is alles al gezegd, zeg jij het dan maar weer op jouw manier. Zei niet iemand dat in iedere generatie iemand moet opstaan die de dingen op zijn of haar manier moet zeggen?’

Foei Lezer, wat bent u een onverbeterlijke luiaard. Dat u zelf niet op het idee gekomen bent om die citaten in die volgorde te lezen en er de conclusies aan te verbinden die ik zo dadelijk eruit zal trekken. Maar goed, ik begrijp het. U vindt het zo’n gedoe, al dat geblader in die boeken… U vindt nooit dat ene verhelderende citaat, het kost kapitale tijd en van het daarbij opdwarrelende stof krijgt u maar allergische aanvallen waardoor heel uw leesplezier wordt vergald. U wacht liever tot een ander de citaten voor u oplepelt. U bent als Wittgenstein, die zei: ‘Ik vind niets plezieriger dan wanneer iemand mijn gedachten van mijn lippen afleest en ze vervolgens, om het zo te zeggen, in de openbaarheid brengt’. Of beter, als Willem Brakmans Voortreffelijke ridder die zegt: ‘Mijn groot verlangen is, dat men zo tot mij zou spreken, dat ik zou kunnen zwijgen’. (Het moge duidelijk zijn dat als iedereen er zo over dacht, iedereen op elkaar zou zitten te wachten!) U leest liever, kortom, opdat u lui kunt zwijgen.

Maar vergeeft u mij. Ik eis te veel van u. Ik verg van u dezelfde volharding om in boeken te speuren naar citaten als die welke ik aan de dag leg. Terwijl u natuurlijk de voorkeur geeft aan een makkelijk verhaal waarin van het ene citaat naar het andere gehopt wordt, zodat u in een oogopslag kunt zien of er nog iets van uw gading bij staat. Een citaat dat de moeite van het debiteren waard is bij een borrel, speech of presentatie.
Tja, hier is iets dramatisch aan de hand. Ik heb aan de ene kant het gevoel dat u wel de doelgroep van mijn schrijfsels zou kunnen zijn, maar aan de andere kant dat ik me niet wil lenen voor het doel van de doelgroep: citaten scoren. Dan komen mijn schrijfsels immers niet veel verder dan het niveau van een succesagenda of een citatenboek? Het schrijven is dan niets meer dan het zinloos rondpompen van gejatte woorden en oude gezegdes.
Het doet me denken aan een verhaal van ik meen Oliver Sacks over twee autisten die de hele dag tegen elkaar zaten te mompelen. Toen men noteerde wat ze uitwisselden, bleken het, na veel naspeuringen, dertiendemachts wortels te zijn van getallen met meer dan twintig cijfers. Ja, citaten uitwisselen is net zo’n autistische bezigheid, met excuses aan de autisten, die hun getallen tenminste nog zonder pronkende bijbedoelingen communiceerden.
Misschien is het nog erger: er is geen sprake van onderling mening-uitwisselende schrijvers. Nee, iedereen schrijft en schrijft in de onthutsende veronderstelling dat men dan blijft. Terwijl in werkelijkheid er meer geschreven dan gelezen wordt.

En dat brengt mij precies tot de volgende conclusie. Schrijven leidt nergens toe. ‘Schrijven is geen vak, maar een roeping ongelukkig te zijn’ zei Simenon reeds. Eén redding gloort aan het eind van de laatste zin: alles is al gezegd, maar nog niet alles is gezwegen. Laat ik dus zwijgen. ‘“Wat moeten we dan doen?” vroeg Pangloss. “Zwijgen”, antwoordde de derwisj.’ (Voltaire). Daarom, geen woorden maar daden. Of, met nog een citaat van Voltaire: laten we onze tuin bewerken. Ik zou ook met Pavese kunnen besluiten met ‘Ik schrijf niet meer.’ Enz… (Pascal) (Toergenjev) (Faulkner) (Beckett).

Rinus Vermuë is filosoof en biologisch boer

39

Rinus Vermuë