Ecce Homo

door Rinus Vermuë

(1 mei 2004)

Dwalend door de musea en kathedralen van Europa zag ik overal de Ecce Homo’s als ultieme afbeeldingen van het lijden en ik dacht: elke kunstenaar moet vroeg of laat zijn Ecce Homo maken. De Familia Sagrada te Barcelona heeft er een, het Rijksmuseum heeft er verschillende, het Museu de Arte Antiga te Lissabon heeft een hele mooie (Christus met het hoofd bedekt), etc. Met de grootst mogelijke ingetogenheid proberen ze de diepst doorworstelde eenzaamheid en ellende uit te drukken.

plaatje Maar is zo’n Ecce Homo zo bijzonder? Maakt iemand niet net zo makkelijk een Ecce Homo zoals hij ook een moeder met kind, een vanitas of een stilleven maakt? En bovendien ook nog op bestelling? Of voorziet Ecce Homo in een diepe behoefte in de menselijke cultuur?

‘Ecce Homo’, zegt Pilatus (Joh. 19:5), als hij Jezus aan het volk laat zien: ‘Ziet, de mens’. Jezus heeft dan juist zijn 39 geselslagen achter de rug en is door spottende soldaten een purperen kleed omgehangen en een doornenkroon op zijn hoofd gezet, omdat hij zich koning der Joden had genoemd. Het is een genrestuk in de kunst geworden en te onderscheiden van dat andere genrestuk, de Man van Smarten. Deze laatste toont Jezus altijd met doornenkroon en de wonden in zijn handen en in zijn zij, terwijl de Ecce Homo Jezus toont in al zijn ontreddering maar zonder wonden, soms zelfs zonder goed zichtbare kroon, zoals in Lissabon (http://janela-indiscreta.blogspot.com/). Het is een van de moeilijkste genrestukken, omdat de uitdrukking van het lijden op het gezicht van Jezus geen ondersteuning vindt in het hangen aan het kruis of het wijzen naar zijn wonden. Zonder attributen moet in het gelaat de diepste ontreddering en verlatenheid zijn af te lezen. Het vereist dan ook het grootste kunstenaarsschap om zonder al te veel zieligheid en theatraliteit een Ecce Homo te maken. Elke kunstenaar zal ooit in zijn carričre dmv een Ecce Homo het diepste leed in de essentie proberen te raken, om er zijn overige kunstwerken mee te kunnen legitimeren, zoals ook in de christelijke geloofsleer Jezus’ lijden en sterven ‘onze’ verlossing pas heeft mogelijk gemaakt. Zonder lijden geen heilsleer, zonder Ecce Homo geen kunstenaarsschap.

Hierin zit wat mij betreft ook de grootste tekortkoming van the Passion of the Christ van Mel Gibson, die het lijdensverhaal alleen met veel bloedvergieten kon vertellen. Tijdens het Ecce Homo-fragment zien wij, tussen de benen van de soldaten door, Jezus van achteren op de rug en kijken we het uitzinnige vulgus in het gezicht. Geen ingetogenheid, geen stil gedragen leed, maar een filmgenieke hysterische meute die om zijn bloed schreeuwt. Het doet erg denken aan een Ecce Homo van Joachim Bueckelaer (1533-1573; Rijksmuseum) die een marktplein met visstalletjes en groentenkramen afbeeldt, met heel in de verte een pietepeuterige Jezus naast Pilatus – een van de eerste wendingen naar het commercieel subject.

Ook Nietzsche schreef een Ecce Homo, waarin hij zijn eigen lijden probeert af te zetten tegen de doffe Kleinheit van de Westerse cultuur. Aan de hand van zijn oeuvre schetst hij zijn ideaal: een gepassioneerde dionysische mens, dwz iemand die ja zegt tegen het leven, zelfs in de zwaarste beproevingen. Alleen mensen die weten te lijden, weten ook wat het is om gezond te worden, in tegenstelling tot die naastenlievende christenschoothonden die zich ziekelijk naar het sterfbed slepen. Deze laatsten bezondigen zich aan wel de ergste zonde die Nietzsche zich kan indenken, het medelijden. Dat staat gelijk aan kruisiging, zo schrijft hij in Also sprach Zarathustra: ‘Is medelijden niet het kruis, waaraan hij geslagen wordt, die de mensen liefheeft?’ Het ja-zeggen houdt dus tegelijk een nee-zeggen tegen dit medelijden in. De laatste zin van Ecce Homo luidt dan ook: ‘Heeft men mij begrepen? – Dionysos tegen de Gekruisigde…’ De puntjes wijzen op Nietzsches nog niet uitgevochten strijd tussen amor fati en medelijden.
In zijn geheel genomen is deze Ecce Homo vooral een onderbouwing van zijn oeuvre, een legitimering van zijn denken, een zin voor zijn lijden…

Maar… wat zeur ik over dat lijden, dat gefleem met het leed, dat gezwijmel met de pijn. Al die Ecce Homo’s verblinden ons met de waanvoorstelling dat lijden zin zou hebben. Maar lijden heeft geen zin. Het oefent ons alleen maar in de kunst van het troosten en de niet-kunst van het verdriet. Men hoeft alleen maar te kijken naar de World Press-foto’s, die geseculariseerde Ecce Homo’s van deze tijd, om te zien dat lijden, behalve voor een fotoprijs, nergens voor dient.
Dat oude meesters hun Ecce Homo schilderen als detail van de christelijke verlossingsleer zij hun vergeven, maar dat Nietzsche het genre gebruikt als metafoor voor zijn gezondheidsleer is een tragische vergissing. Plotseling verdedigt ook hij een zin, een mensenzin waar hij in zijn eigen Zarathustra zo tegen te hoop liep, een van die duizend en een doelen waar we als kudde zo grazig achteraan lopen. Lijdt, en gij zult gezond worden!

Het Ecce Homo-genrestuk voorziet in een behoefte omdat wij, kleinzieligen, zo veel denken te lijden, en omdat we anderen zo veel leed aandoen. Om deze zinloze lijdensweg nog uit te houden zoekt de mens er een zin bij: Jezus leed en stierf opdat wij eeuwig kunnen leven/de Übermensch lijdt en wordt gezond opdat hij eeuwig wederkeert. Het wordt tijd voor een andere invulling van het genrestuk Ecce Homo. Ik stel me een schilderij voor met ‘Ziet de mens! Hij kon het zonder zin stellen en leed voor niets.’

Rinus Vermuë is filosoof en biologisch boer

38 / Laatst gewijzigd: 03-Sep-2006

Rinus Vermuë