De columnisering van ons wereldbeeld

door Rinus Vermuë

(1 april 2004)

Ik weet niet of het aan mijn perceptie ligt, of dat het echt zo is, maar de kranten staan boller en boller van de zwaar aangezette schimpbrieven, gelardeerd met drogredeneringen en gelijkhebberigheid. Lang verkeerde ik in de overtuiging dat zo’n stijl alleen voorbehouden was aan columns.

plaatje Ik weet niet of het aan mijn perceptie ligt, of dat het echt zo is, maar de kranten staan boller en boller van de zwaar aangezette schimpbrieven, gelardeerd met drogredeneringen en gelijkhebberigheid. Lang verkeerde ik in de overtuiging dat zo’n stijl alleen voorbehouden was aan columns. Columns waren ooit redactionele terzijdes waarin het daverende gelijk van de gevestigde mening werd gerelativeerd. Maar columns raakten in een inflatie naarmate ze vaker verschenen. Gerrit Komrij schreef begin jaren ’90 in NRC Handelsblad dat ze waren uitgegroeid tot een epidemische ‘columnitis’: ‘Wat ooit begon als een onafhankelijke stem te midden van bedaagde commentatoren en behoedzame nieuwsgaring groeide uit tot een schril koor van vluchtige meninkjes over bijna niks’. Zo’n tien jaar later was de columnstroom aangezwollen tot een bulderende rivier en werd het ditmaal Volkskrant-schrijver Michaël Zeeman te gortig. De Van Dams en de Plasterken en de Heines en de Etty’s retteketetten er tegenover elkaar maar op los zonder tussenkomst van het verstand, om het hun toegemeten kadertje vóór de deadline vol te pennen. Hij noemde het een ‘handbalspelletje voor babyboomers’ (De Groene Amsterdammer, 27-4-02). Zeemans kritiek viel, misschien niet zonder toeval, samen met zijn vertrek naar Rome.

Ik herken veel van deze kritiek op columns. Het grootste probleem waarvoor de schrijver zich kennelijk geplaatst ziet is de ijzeren regelmaat waarin de schijn van een redenering hooggehouden moet worden, en overduidelijk zelden de inhoud. Want columns zijn niet voor de eeuwigheid maar voor de prikkelende werking van het moment. Het gaat niet om het gelijk hebben maar om het gelijk krijgen binnen de kortheid van een kolom. Daarom mag je, zo lijkt men te denken, zonder argumenten afgeven op ethici waar je niks van moet hebben, op tegenstanders van een oorlog die je wel wil hebben, etc, als je eigen gelijk er maar mooi mee contrasteert.

In de wat langere artikelen verwacht ik daarentegen analyse of een uitwerking van een idee. Maar steeds vaker bespeur ik ook in dit soort artikelen een gelijkhebberig toontje waarmee een tegenstander eens lekker vermeubeld wordt, op een manier waarbij vergeleken een kogelbrief nog vriendelijk is. Sylvain Ephimenco noemt Aboutaleb even achterlijk als zijn islam, Jaffe Vink noemt spreken over een multiculturele samenleving ‘kolderiek gezwatel’, Paul Cliteur noemt Cohen een partijdige burgemeester die op een heilloze weg zit, Piet Grijs noemt Cliteur weer een Adolf H., en over pitbull Leon de Winter zwijg ik liever.
Er doet zich daarbij een raar verschijnsel voor. In de krant durft men dit soort aantijgingen zonder terughoudendheid te doen (worden anders hun stukken geweigerd?) maar desgevraagd weten ze van de prins geen kwaad. ‘In mijn ogen is het allemaal zeer gepast. Maar dat komt blijkbaar niet over’ suddert Cliteur. Ephimenco, de grootste huiler onder de wolven in het bos, klaagt dat het allemaal zo op de persoon gespeeld wordt. En als je ze zoals wij in ons filosofisch café een keer uitnodigt om erover te discussiëren, beweren ze het nooit zo te hebben gezegd. Maar duizenden lezers zitten dan al in de gordijnen.
Er wordt, zo concludeer ik, vanuit de veilige burcht van de studeertafel gepolariseerd uit effectbejag, omdat men vindt dat zo’n beledigende stijl lezers trekt en aan het denken zet. Maar ik denk dat zo’n polarisering zich nog eens tegen de krant gaat keren. Lezers zien alweer een stuk van Leon de Winter en denken: hij zal wel weer een manuscript bij de uitgever hebben en even niks anders te doen weten. En slaan het stuk over, weigeren zich nog langer te laten jonassen. Het leidt tot onverschilligheid en vermoeide reacties. ‘Hoe is het mogelijk dat De Winter telkens hetzelfde verhaal weet te plaatsen’, verzuchtte een lezer van Trouw.

Nu gaat bovenstaande schrijverij voornamelijk over de multiculturele samenleving. En die staat nu eenmaal bekend om een wij/zij-cultuur, rapporteerde de AIVD. Maar ook bij andere thema’s wordt flink geschimpt en geschamperd. Voormalig Greenpeace-kopstuk Patrick Moore schreef in NRC: ‘Greenpeace heeft liever blinde kinderen dan genetisch gemanipuleerde rijst’ – om vervolgens een erg eenzijdig en tendentieus paginagroot artikel aan de wereldreddende gentechnologie te wijden. Econoom en broeikasscepticus Hans Labohm schreef in Trouw dat de eco-imperialisten ons maar angst aanjagen met leugens en gebrekkige metingen, en concludeerde dat ‘Kyoto’ ‘dus een geldverslindend project is dat een minuscuul, ja zelfs onmeetbaar resultaat oplevert’ (altijd al gedacht dat economie geen wetenschap is).

Wat moet ik met zulk moddergooien? Een week later worden er stukken geplaatst waarin het tegendeel wordt beweerd om ‘het broddelwerk’ te herstellen. Waar is de analyse? Waar is het doorwrochte handwerk van de intellectueel? Waar zijn de duidende stukken à la Die Zeit en de New York Review of Books? Worden de stukken niet geplaatst omdat ze te genuanceerd zijn? Is de intellectueel verhuisd naar Rome?

Kranten zijn nodig omdat zij het groffilter zijn dat informatie behapbaar interpreteert en bovendien, misschien nog wel het belangrijkst, omdat ze een scheiding maken tussen informatie en non-informatie. In de veelheid van informatie van internet, spitskranten en tv-zenders is een medium nodig dat voor en met ons onderzoekt waar we met z’n allen naar toe zouden moeten willen. Als de kranten verworden tot muurkranten en pamfletten die smeuïg tieren en polariseren, het intellect de mond snoeren en grossieren in lekkerbekkende schimpscheuten, verliezen ze die functie. Moeder! Ik wil terug naar de tijd van voor de columns.

Rinus Vermuë is filosoof en biologisch boer

37

Rinus Vermuë