Bert Keizer vs René van Woudenberg

door Rinus Vermuë

(1 maart 2004)

Een uiterst curieuze discussie voltrekt zich dezer dagen op de filosofische pagina van dagblad Trouw, een discussie die in vroeger tijden tot een kerkscheuring zou leiden. Op het eerste gezicht lijkt de onderhavige kwestie: ‘Heeft God echt tot mensen gesproken?’ maar ook over de vraag hoe men hoort te filosoferen kruisen de scribenten met elkaar de pen. De een verwijt de ander ‘onwaardig gestuntel in het drijfzand van ad hominem’, terwijl de ander reageert met ‘wie mijn stukje goed gelezen (en begrepen) heeft die ziet onmiddellijk in dat ik niet ad hominem argumenteer’. Ja dat zal allemaal best, maar wat is ad hominem nu eigenlijk? En was daar nu echt sprake van of alleen als het ware?

plaatje De discussianten zijn respectievelijk René van Woudenberg, hoogleraar filosofie aan de VU, tweewekelijks, en Bert Keizer, verpleeghuisarts en filosoof, wekelijks columnist. Aanleiding van de discussie was Van Woudenbergs bespreking van een uitspraak van theoloog Harry Kuitert, of zoals Van Woudenberg zelf zegt een ‘slogan van poldertheoloog H. Kuitert’. De uitspraak is als volgt: ‘Alle spreken over boven komt van beneden, ook de uitspraak dat iets van boven komt’. Zo’n uitspraak, beweert Van Woudenberg, timmert elk uitzicht op de claim dat God echt gesproken heeft, dicht. Hij houdt de mogelijkheid van zo’n claim liever open, en veroordeelt daarom Kuiterts ‘gevaarlijke slogan’.

De wijze waarop hij dat doet is interessant. Hij plaatst de slogan naast de slogans van dieper gelovigen (die nu weer gewoon ‘uitspraken’ heten), waaruit moet blijken dat God tot hen gesproken heeft. Hij noemt Maria en Paulus, Teresa van Avila en Hudson Taylor, Gods eigen man in China. Als Kuitert gelijk heeft dan hebben deze mensen ongelijk. Let op: hij vermijdt dus te zeggen dat de vier gelijk hebben. Toch moeten we kiezen: tussen een theoloog in de polder of de illustere heiligen. ‘De keuze zou niet moeilijk moeten zijn’, vindt Van Woudenberg. ‘Ergo’ staat er dan ook boven zijn stuk, dat zoveel betekent als dus, derhalve.

‘Ergo?’ heet Bert Keizers stukje ruim een week later. Helemaal geen ergo! Keizer, die het met Kuitert eens lijkt, vindt dat Van Woudenberg ons het drijfzand instuurt, ‘het drijfzand van ad hominem’. Er zijn zoveel mensen die beweren dat God tot hen gesproken heeft, maar wordt daarmee het tegendeel onwaar? Keizer laat zich niet overtuigen. Maar verwerpt hij Van Woudenbergs filering terecht op grond van ad hominem? Van Woudenberg zelf vindt van niet, maar legt nergens uit wat een argumentum ad hominem inhoudt.

Ad hominem argumentatie is een drogredenering waarin niet de zaak die ter discussie staat aan de orde komt, maar de personen die zich erover uitgelaten hebben. Deze personen worden verdacht gemaakt waarna de conclusie getrokken wordt dat de zaak zelf dus ook wel niet zal kloppen. Zoiets lijkt oppervlakkig gezien in Van Woudenbergs stuk niet het geval te zijn. Toch zie ik niet ‘onmiddellijk’ in dat het niet het geval is. Een foefje om te kijken of het zo’n argument ad hominem betreft is: kijk of het karakter (of het beroep) van de persoon ook maar iets te maken heeft met de inhoud van de gewraakte boodschap. Heeft het er niets mee te maken, maar wordt zo’n relatie wel in diskrediet gebracht op de inhoud, dan is sprake van een argument ad hominem.

In dit geval wordt in eerste instantie niet Kuitert zwart gemaakt, en daarmee zijn slogan ondeugdelijk, nee, er zijn belangrijker mensen die we beter kunnen geloven, althans, ‘de keuze zou niet moeilijk moeten zijn’. Dit staat bekend als het autoriteitsargument: als hotemetoten het zeggen dan moet het wel waar zijn. In dit geval: dan moet het tegendeel wel onwaar zijn. Tja, dat stuurt mij al evenzeer het drijfzand in.

Bij een tweede inspectie wordt duidelijk wat Van Woudenberg eigenlijk doet. Eerst schaart hij Kuitert onder de ‘theologen’ (eerste woord), op wiens ‘gezag’ we iets aannemen, maar omdat andere meer gezaghebbende autoriteiten van het tegendeel van zijn uitspraak getuigen, valt Kuitert door de mand als een ‘theoloog in de polder’ voor wie het ‘soms moeilijk is over de dijk heen te kijken’. We zullen, zo suggereert hij, toch niet de slogan van een poldertheoloog verkiezen boven de getuigenis van zulke grootheden als de Maria’s en de Paulussen? Hij ontmaskert dus als het ware een autoriteit (precies wat je moet doen in het geval van een autoriteitsargument) maar haalt daarvoor nieuwe autoriteiten van stal waarbij vergeleken Kuitert maar een dreumes is. Hij weerlegt dus eigenlijk een autoriteitsargument met een ad hominem benadering en komt ten slotte weer uit bij een nieuw autoriteitsargument.

Van Woudenbergs reactie op Bert Keizers ‘Ergo?’, een kleine week later, bevestigt mij in dit vermoeden. ‘Filosoof René van Woudenberg’, zoals hij zich boven zijn stukjes laat noemen, vervangt in zijn casusbeschrijving de poldertheoloog uit zijn eerste stukje door ‘verpleeghuisarts Bert Keizer’. Het lijkt me heel sterk dat hij niet weet dat Bert Keizer een collega-filosoof van hem is. Door hem neer te zetten als ‘een verpleeghuisarts’ (wat me overigens een eerzaam beroep lijkt) schept hij afstand tot het grote gelijk van de Filosoof of van de heiligen door wie hij zich laat voorspreken.
Nee, eindigt Van Woudenberg, dit is geen argumentum ad hominem, want de redenering mist daarvoor de benodigde eigenschappen. Wel, als het waar is dat een ad hominem redenering een niet ter zake doend verband legt tussen de persoon (poldertheoloog, verpleeghuisarts) en de zaak, dan is René van Woudenberg de grootste ad hominemfilosoof die ik ken. Dat mag u gerust van een boer aannemen.

Rinus Vermuë is filosoof en biologisch boer

36

Rinus Vermuë