De compartimentele mens

door Rinus Vermuë

(1 februari 2004)

Abram de Swaan gebruikte in zijn Huizinga-lezing de term compartimentalisering, voor sociale fragmentering tijdens massamoorden. Kunnen we daar filosofisch ook wat mee?

plaatje De Swaan beschrijft in zijn lezing (NRC, 20-12-03) dat de staat de grootste mensendoder is. De meeste doden vallen niet onder soldaten tijdens militaire handelingen, maar onder weerloze burgers door staatsgeweld. Democide heet dat, en De Swaan vraagt zich af hoe dat in de afgelopen eeuw zo grootschalig heeft kunnen gebeuren. Enerzijds organiseerden daders zich met behulp van massapropaganda tot een uitgekiend moordapparaat, anderzijds raakten ze in een roes en konden ze niet meer stoppen voor een hele enclave, stad of dorp was uitgeroeid.
Maar hier wringt iets, merkt De Swaan op. Het berekenende en het razende lijken elkaar uit te sluiten: ‘Waren de daders nu wild en barbaars als beesten, of waren zij kille gedisciplineerde moordmachines?’ Als antwoord op deze vraag komt De Swaan met de term compartimentalisering: ‘De doders gaan het compartiment van de massamoord binnen en ze gaan er ook weer uit, als werkers die op de afgesproken tijd met hun handwerk beginnen en er na gedane zaken mee “klaar” zijn… Onder hun kameraden of in hun gezin zijn ze dan een ander mens’.
Iemand die daar goed in was, een vriend van me wees me daarop, was Adolf Eichmann. Tijdens een verhoor beweerde hij altijd volgens Kants categorische imperatief te hebben willen leven. De rechter onderhield hem hier later over en tot ieders verrassing (schrijft Hannah Arendt in haar ‘Eichmann in Jerusalem’) kon hij ook een correcte definitie ervan geven. Hij zei ‘dat het beginsel van mijn wil zo moet zijn dat het altijd tot het beginsel van algemene wetgeving verheven kan worden’. Maar, gaf hij desgevraagd toe, hij kon er niet naar leven onder de druk van de Endlösungstaak. Hij had de regel daarom aangepast voor wat hij noemde ‘huisgebruik van de kleine man’. Waarschijnlijk hield dat in dat hij wel eens een bloemetje voor zijn vrouw meebracht.

De verklaring voor volkerenmoord zit hem volgens De Swaan dus niet in de barbaarsheid van de mens of de rede, maar in het vermogen het ene moment in het compartiment van de moordenaar te kruipen, het volgende in dat van een ‘vreedzaam vriendelijk mens’.
Een fraaie en droeve sociologische constatering. Maar kunnen we er filosofisch ook wat mee? Is er een ethische regel die deze compartimentalisering incorporeert? Ik zou er geen weten. En dat kan natuurlijk ook niet. Er is geen goeds in de aanbeveling dat je ’s morgens een beul mag zijn als je daarna maar deugdzaam bent.
En toch, beweer ik, steekt ieder mens zo in elkaar. Ik zou De Swaans term dan ook universeel willen maken – natuurlijk niet normatief maar descriptief – en compartimentalisering niet alleen voor massamoordenaars reserveren maar tot alle mensen willen uitbreiden. Hoeveel mensen roepen niet ach en wee over een vreselijk gehuisvest varken en is in de winkel straal vergeten dat je die dus niet moet kopen? Hoeveel mensen willen de mensenrechten gehonoreerd hebben, maar tanken benzine met bloed aan de pomp of beleggen in inferieure aandelen? In onze status van koopjesjagende consument of automobilist gaan we het compartiment van het kwaad binnen, als Wakker Dier-begunstigend lid van Amnesty International zijn we een beter mens. We kunnen ons zonder overdrijving schijnheilig noemen als we in onszelf zulke compartimenten naast elkaar laten bestaan. Niet om u en mijzelf te beledigen, maar omdat een heilige deze compartimenten niet in één persoon zal kunnen dulden.
Ja, maar we kunnen niet alles weten, hoor ik lezers zeggen. Smoesjes! Er is wel eens geënqueteerd voor de ingang van een supermarkt, en veel mensen zeiden zich bewust te zijn van het nare lot van de varkens. Toen ze werden ondervraagd na afloop van het winkelen, bleek slechts een enkeling de daad bij het woord te hebben gevoegd en scharrelvlees te kunnen laten zien.

Maar inderdaad, niemand is heilig. Hoewel, nu ik toch bezig ben: er zijn antiglobalisten – van wie zo vaak wordt beweerd dat ze geen programma hebben – die in hun bestedingen nog wel het meest heilig zijn. Zij durven wel vegetarisch te zijn en consumeren verregaand verantwoord. Zij kijken wel drie keer uit om zichzelf of anderen in een kwaad compartiment te storten.
Eigenlijk is ‘antiglobalisme’ een totaal verkeerde term. Het streeft juist naar een globale ethiek die zo gedecompartimentaliseerd mogelijk is. Het streeft naar een eerlijk globalisme waarin niemand de dupe wordt van iemands koopgedrag. Niet het dier, niet de mens, niet het volk dat bedreigd wordt door een stijgende waterspiegel. Onzin dus wat Bolkestein beweerde (de Volkskrant, 17-01-04), dat het allemaal ‘uit schuldgevoel geboren geklaag van een westerse intellectuele elite’ is. Hij vindt het consumentisme dat voor iedereen een auto en een koelkast wil, het beste voor de wereld. Ja, die koelkast hebben we aan het eind van de rit dan ook wel hard nodig.
Het ‘antiglobalisme’, zoals ik het voorlopig maar zal blijven noemen, wil van de hele wereld één compartiment maken zonder een ‘buiten’. Ik hoop dat dit consumentisme succesvol wordt, en niet het lege koop-maar-raak-consumentisme van Bolkestein, met zijn bewust of onbewust aangehouden compartimenten.

Rinus Vermuë is filosoof en biologisch boer

35

Rinus Vermuë