De kunsttheorie van Van Gogh

door Rinus Vermuë

(1 januari 2004)

Vincent van Gogh wordt gezien als het genie dat op de drempel staat van de moderne kunst, als inspirator van zowat alle twintigste-eeuwse schilders. Maar in een recente studie naar al of niet echte Van Goghs (Verloren vondsten, uitg. Breda’s Museum) wordt stilletjes geopperd dat Van Gogh misschien niet zozeer een ‘onbegrepen genie’ is, als wel een ‘harde ploeteraar’. Dit suggereert dat ploeteren en genialiteit elkaar uitsluiten. Is dat wel zo? Ligt genialiteit niet ook in het durven voortploeteren op voorheen onbegane wegen? Wat grasduinen door Van Goghs brieven leert dat voor zo’n opvatting alle aanleiding is, ja zelfs dat hij de aanjager is van een heuse kunsttheorie.

plaatje Ik denk dat alle genieën hebben moeten ploeteren, zweten en pijn lijden. Voor de hellepoorten hebben ze hun creaties of denkbeelden, nog knetterend van de hitte, moeten wegslepen. Plato had een valse start in de toneelschrijverij. Geheel in lijn met de traditie schreef hij tragedies voor hij zijn wijsgerige zoektocht begon. Maar ook zijn dialogen groeiden alleen door noest denkwerk en hard ploeteren. Van de beginzin van De Staat (‘Gisteren ben ik samen met Glauco, de zoon van Aristo, naar Piraeus gegaan’) is bekend dat Plato vreselijk heeft gestoeid om het juiste ritme en de grootste klankrijkdom te bereiken. Bij zijn dood vond men een schrijftafeltje met de zin in talrijke varianten.
Picasso, toch ook niet de geringste, zei ooit: ‘Schilderijen zijn niets anders dan onderzoek en experiment’. Als je geniaal bent voor iets, vond hij, dan wordt het tijd om iets anders te gaan doen. Misschien dat hij daarom zijn jeugdwerk als veel te academisch verfoeide.

Ook Van Gogh heeft veel geploeterd. Eerst al met zijn omgeving. Meermalen werd hem de omgang ontzegd met dorpsgenootjes, modellen, vrouwen, en op het laatst werd hij zelfs via een petitie aan de burgemeester gedwongen opgenomen. Het meest schokkend was voor hem de breuk met zijn nicht Kee, op wie hij hevig verliefd was. Hij raakte zeer gefrustreerd in zijn vader en de hare, beide dominee, en verklaarde de God van de dominees ‘zo dood als een pier’. Toch wilde hij zich geen atheďst noemen, want het is toch een wonder dat we leven en liefhebben. ‘Noem dat nu God, of de menselijke natuur, of wat ge wilt, maar er is een zeker iets, dat ik niet definiëren kan in een systeem’ (brief 164; Van Gogh als voorloper van het ietsisme!)
Het bracht Vincent tot de conclusie dat hij zich maar het best kon opsluiten in zijn werk. Als in de kerk dan alleen plaats is voor passie op de tweede zondag voor Pasen – Passiezondag – zocht hij de passie wel in het kunstenaarsschap.
Na dit besluit (‘een kwestie van erop of eronder’) begint het geploeter in de kunst. Honderden schetsen probeert hij van spittende, maaiende en zaaiende mensen. Zijn grote voorbeeld is daarbij Millet’s ‘Arenleesters’, die geschilderd lijken met de aarde waarin ze zaaien. Maar het wil niet echt lukken. Hij noemt zijn tekeningen onhandig, de figuren hannesen wat met hun spa – op echt spitten wil het niet lijken. Hij schrijft aan Theo: ‘de lijnen zó te kiezen dat het vanzelf spreekt dat ze zo lopen moeten, dat is iets dat echter niet vanzelf gaat’.
Maar allengs gaat het beter. Niet omdat hij zijn gevoel er steeds meer in weet te leggen, maar omdat hij beter weet wat hij wil bereiken. Hij begint een Idee te ontwikkelen. Hij wil niet de figuur realistisch afbeelden, en ook niet fraaier weergeven dan hij in werkelijkheid is, maar de ‘strijd des levens’ erin uitdrukken. Hij lijkt daarbij zijn verstand te willen uitschakelen. Naar aanleiding van twee tekeningen (‘Sorrow’ en ‘Les Racines’) schrijft hij: ‘omdat ik getracht heb trouw te zijn aan de natuur welke ik voor me had, zonder erbij te filosoferen, is er haast onwillekeurig in beide gevallen iets van die grote strijd in gekomen’ (brief 195). Het geploeter dat Van Gogh zo goed van binnenuit kende, zag hij overal om zich heen, en dát wilde hij weergeven.
Het heeft iets impressionistisch. Ook impressionisten verbinden de subjectieve waarneming (impressie) aan de individuele kunstexpressie. Maar Vincent wil verder. Hij wil niet het kunstje waarin het penseel louter als instrument van de subjectieve waarneming wordt. Maar wat wel?

In juli 1885, enkele maanden na de voltooiing van ‘De Aardappeleters’, schrijft hij iets baanbrekends, iets wat daarna door talloze dichters en schilders is opgepikt. Akkoord, zegt hij, je kunt in mijn werk nog steeds fouten ontdekken, maar kijk nou eens naar schilderijen die ‘onberispelijk, zonder fouten’ zijn. Doen zij ons echt iets? Vincent verdedigt zich bij Theo tegen een kritische collegaschilder, Serret: ‘Zeg tegen Serret dat ik wanhopig zou zijn als mijn figuren goed waren, zeg hem dat ik ze niet academisch correct wil. Zeg hem dat ik bedoel dat als men een spitter fotografeert, dat hij dan zeker niet spitten zou… mijn groot verlangen is zulke onjuistheden te leren maken, zulke afwijkingen, omwerkingen, veranderingen van de werkelijkheid, dat het mochten worden, nu ja, leugens als men wil, maar – waarder dan de letterlijke waarheid’ (brief 418).
En daarmee staat Vincent van Gogh aan de wieg van een theorie die een hele stoet fraseologen, citatenmelkers, dichters, schilders, kunstfilosofen etc. als de hunne hebben rondgebazuind: kunst liegt de waarheid. Nee, niet Oscar Wilde, Picasso, Gertrude Stein of Bertus Aafjes zeiden dit maar Vincent zag het onder zijn eigen zwoegende pen verschijnen, borstelde het van zijn palet op zijn doek. En hierin zit zijn genialiteit, niet in een aangeboren virtuositeit, maar in een strijdend en ploeterend doorscheppen tot hij de waarheid met zijn liegende penseel ontverfde.

Rinus Vermuë is filosoof en biologisch boer

34

Rinus Vermuë