Nazificatie van Nietzsche

door Rinus Vermuë

(1 november 2003)

Voor het geval u op zoek ging naar het proefschrift over Nietzsches invloed op de nazi’s heb ik het voor u gelezen, Jaap Hagens ‘Nietzsches weerklank in nazi-Duitsland’. Bespaar u de moeite, het is broddelwerk. Bij deze een poging tot recensie van een aan alle kanten rammelend boek.

plaatje Eerst iets over de stijl: het is een brokkelig geschreven boek met veel alinea’s waarin geen enkele zin logisch volgt op de vorige. Uiterst verwarrend, al is het soms ook lachwekkend, in zinnen als: ‘Nietzsche was van geboorte een Pruis. Ook het nazisme valt te verklaren vanuit traditionele Pruisische deugden’ of ‘Wat Heideggers vrijheidsbegrip aangaat, Sartre stelt dat als God niet bestaat, het de mens zelf is die zijn eigen wezen bepaalt’. Soms draait het uit op wartaal, bijv. wanneer hij beschrijft hoe Mussolini’s geschenk voor het Nietzsche-archief – een marmeren Dionysos-kop – tijdens WO II in Duitsland terecht komt: ‘Onder hevige bombardementen werd het beeld van de geallieerden van het Weimarstation afgehaald’. Was het beeld door de geallieerden gebeeldhouwd? Of was Mussolini een geallieerde? Of hebben de geallieerden alleen maar voor het vervoer (incl begeleidende bombardementen) gezorgd? Complete onzin is: ‘Het tegendeel van deze veronderstelling is niet aan te tonen. Het is evenwel een opportunistische these aangezien zij evenmin is te falsificeren’. Eigenlijk staat hier: Het tegendeel is niet aan te tonen, en het tegendeel is ook niet aan te tonen. Overigens wordt door het hele boek ‘falsificeren’ (= vervalsen) geschreven terwijl falsifiëren (= weerleggen) wordt bedoeld. Het is een raadsel dat zoiets door een promotiecommissie heen komt. O, filosofen, ga nooit promoveren in Leiden, waar promotoren (Van Gunsteren en Cliteur) het verschil niet weten tussen falsificeren en falsifiëren!
Ook verwijzingsfouten liegen er niet om: Voor Kaufmanns interpretatie: zie § 6.3.2… die paragraaf bestaat niet eens; voor het blonde beest zie Genealogie der moraal I, 59… bestaat ook niet; voor Härtles gebruik van een aforisme in zijn kritiek op joden zie § 5.2.3… nergens te vinden.

Maar aanwijzen van dit soort fouten is natuurlijk geen inhoudelijke kritiek. Het erge van dit proefschrift is echter dat Hagen het niveau van aanwijzen van dit soort fouten nergens overstijgt.
Zijn bedoeling is te laten zien op welke Nietzsche-gedachten nazi-ideologen zich baseerden, en hoe historici achteraf de Nietzsche-perceptie in nazi-Duitsland kwalificeren. Op zich een prima opzet, ook al is het verband tussen Nietzsche en het fascisme al vaak onderzocht. Helaas bleef ik ook hier ontgoocheld achter. Niet omdat Nietzsche te veel omlaag getrokken zou worden – kill your darlings, vind ik altijd – maar omdat de manier waarop niet deugt. Het proefschrift wemelt van het suggestief samenvoegen van termen zonder het citaat erbij te leveren, het vermelden van citaten zonder de context erbij te leveren, en het concluderen zonder de denkstappen erbij te leveren.
In De vrolijke wetenschap, schrijft Hagen bijvoorbeeld, komen in één aforisme (283) de termen Heroismus (Hitler!), überwinden (Übermensch!), en herrschen en besitzen (cursief!) voor. Dit alles is ‘zowel interpreteerbaar in de zin van een metafoor, als in politiek-economisch opzicht’, staat ‘een bloederig interpreteren van oorlog toe’, ‘maakt aannemelijk dat daar een strijdethiek uit is te reconstrueren’, ‘sluit een nazi-interpretatie niet uit’, enz. enz. Maar natuurlijk is van Nietzsche een nazi-aartsvader te maken, zoals in de handen van een monster ook speelgoed kan worden tot moordenaarstuig. Wat ik zou willen weten, en daar blijft Hagen jammerlijk in gebreke, is of Nietzsche-aforismen noodzakelijk uitmonden in naziconclusies. Waar zegt Nietzsche bijv dat de Joden vernietigd moeten worden, of dat de Übermensch andere (Unter)mensen moet vernietigen? Bij mijn weten nergens. En toch verklaart Hagen dat Nietzsche een elite aanmoedigt ‘om anderen louter te beschouwen als middel voor hun eigen doeleinden’.
Waar Hagen nog het dichtst bij het ‘bewijs’ komt, is in zijn behandeling van Nietzsches nazi-neefje Oehler. Deze gebruikt een aforisme uit Götzen-Dämmerung (Streifzüge eines Unzeitgemässen, 36), volgens welke ontaardend leven rücksichtslos moet worden teruggedrongen. Hagen: ‘Wat Nietzsche verstaat onder ontaardend leven geeft hij evenwel niet aan, zodat deze tekst een interpretatie zoals door Oehler [nl vernietiging der Joden] toestaat’. Zo’n conclusie kan dus echt niet. Bijgevoegd een stukje uit het aforisme – dat ook mij grof in de oren klonk – zonder de verzachtende regels erna, die niet zouden misstaan in de huidige euthanasiediscussie. Hier blijkt de waarheid van Kurt Tucholskys uitspraak (die Hagen tot twee keer toe citeert): ‘Sage mir was du brauchst, und ich will dir dafür ein Nietzsche-Zitat besorgen’. Hagen heeft dit kennelijk niet gezien als waarschuwing maar als aanmoediging. ‘Hineininterpretieren hoort niet thuis in een studie die zich vooral richt op aantoonbare feiten’, zegt hij dan. Het enige dat Hagen doet is hineininterpretieren.
En dan durft hij ook nog te beweren: ‘De burger van de moderne rechtstaat kan zich er nu hoogstens meewarig over verbazen dat dit orakelen ooit serieus is genomen’ (p 220). Ik hoop één ding, dat niemand ooit dit selectieve orakelen van Jaap Hagen serieus neemt, met zijn suggestieve vertaling van Versuche met experimenten, van Steigerung met veredeling, en het consequent en al even suggestief onvertaald laten van Führer. Nee, lees voor het dubbel-interpretabele van Nietzsche liever Crane Brintons Nietzsche, lees voor het pathos van leiders liever Karl Löwiths Von Hegel zu Nietzsche, en voor Nietzsche zelf de proefschriften van Dohmen, Helsloot of Willemsen.

Rinus Vermuë is filosoof en biologisch boer

32

Rinus Vermuë