Ook blondjes hebben hun gebreken

door Rinus Vermuë

(1 oktober 2003)

Steeds weer duikt de eigenaardige bewering op dat uiterlijk knappe mensen meer succes oogsten dan onknappe mensen. De laatste keer hoorde ik dat uit de mond van zomergast hoogleraar economie Henriëtte Maassen van den Brink. Ze knoopte daar bovendien aan vast dat naarmate je dichter bij de Randstad kwam, je meer knappe mensen zag. Een zeldzaam arrogante urbacentrische constatering, die suggereert dat mensen in de stad succesvoller zijn dan buiten de steden.

plaatje Ik vroeg me af of ze wel eens verder kijkt dan de walk of fame of het mediapark. Toch zei ze dat ze in de Amsterdamse Pijp getroffen was door de schrijnende gevallen. Dus niet iedereen was zo succesvol. Of waren het allemaal per ongeluk in de stad terechtgekomen lelijkerds? Dat verklaart natuurlijk weer alles.

Knappe mensen zijn succesvoller… Ik hoor zelfs concluderen dat knappe mensen intelligenter zijn. Ja, het is onderzocht, wordt er met nadruk bij gezegd, met een gezicht dat moet verraden dat spreker bij de uitverkorenen behoort. Maar klopt het wel, of is het weer zo’n befaamde halve waarheid?

Het bekendste onderzoek is dat naar succes van Amerikaanse juristen. Men had via studentenfoto’s een beautyrating gegeven en na 20 jaar praktijk de inkomens vergeleken. Uitkomst: iemand die er knap uitziet, verdient 12 % meer dan iemand die er niet knap uitziet. Dit onderzoek blijkt door Maassen van den Brink te worden aangehaald in het met collega Wim Groot geschreven Lusten en lasten – Over economie en emotie (2002). De verklaringen die ze hierin aanvoeren zijn al iets genuanceerder. Het blijkt wetenschappelijk voldoende aangetoond dat mensen zich beter laten overtuigen door, en het vaker eens zijn met fysiek aantrekkelijke personen. Het is dus ook economisch aantrekkelijk om knappe mensen in dienst te nemen. Daardoor ligt hun marktwaarde hoger, en bijgevolg hun inkomen. Hetzelfde mechanisme gaat op voor verkopers, en ook voor blondines op de Italiaanse tv. Zij komen tien keer vaker voor als op grond van hun biologische verspreiding verwacht mag worden. Niet omdat ze knapper zijn, maar omdat kijkers ze prefereren, wat weer meer reclame-inkomsten genereert.
Een andere verklaring die zij noemen, is dat cliënten, kijkers of consumenten het prettiger vinden om begeleid of geholpen te worden door fysiek aantrekkelijke mensen, die daarom een concurrentievoordeel hebben. De verklaring dat bazen om dezelfde reden mooie mensen aannemen, wijzen ze af. Bazen willen geen gezelschap of hulp van mooie mensen – ze nemen ze alleen op rationele grond in dienst vanwege economisch voordeel – klanten wel. Klanten zijn blijkbaar irrationeel. Waarin dat schuilt, zeggen ze niet. Misschien werkt het als bij de mensen die Heine opvoert in een bank van de Rothschild: sommigen ‘begonnen te kronkelen alsof ze een geëlektriseerde draad hadden aangeraakt’ bij het naderen van de grote baron zelf. Hoe lager in de rangorde van het verkoopcircuit, hoe meer (irrationeel) ontzag voor een hogere.

Wat het economenduo wel constateert is dat Amerikaanse onderzoeksresultaten niet gelden voor Nederlanders. Want onder de top-10 strafpleiters die Peter R. de Vries elk jaar samenstelt, zitten ook lelijkerds. Wel zijn ze allemaal ijdel, met hun schreeuwerige maatpakken en opzichtige dassen, maar knap van zichzelf, nee. Het is de economen blijkbaar ontgaan dat in Amerika advocaten een jury moeten overtuigen. Ik denk dat een advocaat met een scheef bekkie daar minder succes zal hebben dan in Nederland, waar een rechter de rechtspraak volgt.
Maar zijn de knappe mensen nu in het algemeen succesvoller? Kunnen we dit generaliseren? Het zou natuurlijk direct moeten opvallen dat de voorbeelden die genoemd worden alle te maken hebben met beroepen waarin het uiterlijk belangrijk is/gevonden wordt: de media, de verkoop, de advocatuur. Het is de grote vraag of dit ook geldt voor mensen die bijv. een zelfstandig beroep uitoefenen waarbij het uiterlijk er absoluut niet toe doet en waarin ook geen sprake is van een rangorde, zoals ambachtslieden of schrijvers. Om dat te achterhalen stel ik een onderzoek voor in de schrijvende media of wetenschappelijke publicaties: hoeveel procent van de inzenders was knap? Of hoeveel meer/minder verdienden de lelijkerds?

De keren dat ik me er nog over opwind, bejegent men mij (als bescheiden lid van de categorie lelijkerds, hoewel ik me er nooit op voor laat staan, hoor) steevast met ‘ik wist niet dat het je zo hoog zat’. Men beoordeelt met andere woorden niet mijn kritiek dat zo’n stelling wel eens onzinnig zou kunnen zijn, maar vat mijn kritiek op deze in hun ogen zinnige stelling persoonlijk op. Ja, dat soort reacties kan je verwachten als je domme blondjes op tv aan domme kijkers (mag ik ook es) een uittreksel van hun boek laat geven. Hier liggen antieke gedachten aan ten grondslag die teruggaan op Aristoteles volgens wie een lelijk mens nooit gelukkig kan worden.
Maar waarom mist de lelijkerd de overtuigingskracht? Het zou goed kunnen dat klanten, de jury, de kijkers, door een afwijkend uiterlijk worden afgeleid van de inhoud van de boodschap, en daardoor het springende punt missen. Je kunt het vaak niet helpen dat er andere dingen door je hoofd gaan als je met een spraakgebrekkige of een belittekende praat. Het is kortom, zo denk ik erover, een concentratieprobleem. Dat heb ik nou wel eens met domme, pardon, met blondjes.

Rinus Vermuë is filosoof en biologisch boer

31

Rinus Vermuë