De taart in het gelaat

door Rinus Vermuë

(1 juni 2003)

Levinas is bekend van zijn filosofie van het Gelaat van de Ander. Maar is Levinas in een tijd waarin het gelaat vooral gebruikt wordt om er een walmende taart in te duwen of het flink te verminken, nog wel actueel? Kunnen we er nog wel wat mee?

plaatje Levinas wordt in Frankrijk wel de anti-Heidegger genoemd. Als joods denker wiens hele familie in de tweede wereldoorlog omkwam, moest hij zich wel verweren tegen de ethisch neutrale ontologie van Sein und Zeit, of tegen het Neutrum van het Zijn, zoals Levinas het noemde.
Heidegger stelde de vraag naar de zin van het zijn. Die situeert hij in het verstaan van de structuur van het ‘es gibt’. Het ‘es gibt’ is voor Heidegger een existentiëel doorgeefluik en de structurele mogelijkheidsvoorwaarde voor ons bestaan. Maar van het vrijgevige van dat ‘es gibt’ heb ik, sneert Levinas, tussen 1933 en 1945 niets gemerkt. Levinas spreekt liever van het ‘il y a’ als de verschrikking van het zijn waar geen ethiek te bekennen valt.

Een al even herkenbare kant van Levinas is zijn anti-totalitarisme. Het filosofisch weten van Descartes tot en met Husserl wordt vooral gekenmerkt door het zoeken naar de overeenstemming van het denken en dat wat het denkt. Levinas acht deze overeenstemming illusoir. Ook al erkennen de filosofen dat die overeenstemming niet zo maar bereikt zal worden, toch doen ze de belofte van een omvattende waarheid die in het bewustzijn gekend gaat worden. Totaliteitsdenken, noemt Levinas dat, of het denken van het Zelfde. Wij zouden zeggen systeemdenken. Alles wordt vroeg of laat binnen het systeem of in een context gedacht. Ook de ander wordt in het systeem ingekapseld, teneinde de totale waarheid te kunnen proclameren.

Volgens Levinas is de ander echter per definitie niet in het systeem in te passen. De ander komt van buiten en ontwricht juist ons systeem. Eerst via het gelaat spreekt de ander ons aan. Via het gelaat van de ander komt de ethiek het zijn binnen. Het gelaat van de ander is in eerste instantie betekenis zonder context. Nog voordat ik het gelaat in een context heb kunnen plaatsen (type neus, laag of hoog voorhoofd, kleur van de ogen) doet het een ethisch beroep op mij. Het zegt: ‘gij zult niet doden’.

Hier vallen de anti-Heidegger en de anti-totalitarist samen. De verschijning van de Ander is een breuk in het Zijn. De Ander breekt mij, vanuit gene zijde van het Zijn, los uit het totalitaire van de inkapselende systemen en roept mij tot verantwoordelijkheid. Dit is een oneindige verantwoordelijkheid, een verantwoordelijkheid voor alle mensen, voor de verdrukte Ander waar ook ter wereld, voor de vreemdeling, de weduwe en de wees.

Het is een zeer actueel thema, deze onbegrensde verantwoordelijkheid, maar kunnen we er nog wat mee? Is deze filosofische exercitie wel werkbaar voor de huidige globale problemen? Het gelaat van de hongerende Congolese vluchteling krijgen we niet te zien. Moeten we desondanks voor hem instaan?

Levinas zou zeggen dat de ervaring, neergelegd in literatuur, talmoedische geschriften en de bijbel, voldoende moeten zijn om aan deze onbegrensde verantwoordelijkheid te herinneren, ‘… want gij zijt vreemdeling geweest in het land Egypte’ (Leviticus, 19:34).

Maar in de snelle media met de flitsende clips gaan we af op het eerste gezicht. Het gelaat appelleert niet meer aan onze verantwoordelijkheidszin, maar is een manipuleerbaar, de-articuleerbaar teken in onze beeldcultuur. Om het filosofisch met Derrida te zeggen: ‘er is niets buiten de tekst’, dus ook geen gelaat. Als ik aandacht wil voor de Ander heb ik aan het tonen van het gelaat niet meer genoeg, nee, ik moet het de kijker, de partijbons, de machthebber inpeperen dat de Ander – de vreemdeling, de vertrapte, de vervolgde – überhaupt bestaat. Het gezicht van de partij die de Ander links laat liggen, wordt afgepoeierd met een taart. Een taart in het gelaat van het Zelfde doet het gelaat van de Ander pas oplichten.
Levinas zou deze vorm van instaan voor de ander streng afkeuren. Toch ziet hij voor de jeugd (die de taart-taal tegenwoordig zo goed schijnt te beheersen) een belangrijke rol, schrijft hij in Humanisme van de andere mens. De jeugd bestáát in de breuk met de context, in een woord dat snijdt, zoals tijdens ‘een paar bevoorrechte ogenblikken van het jaar 1968’. De verantwoordelijkheidszin werd daar door de jeugd geëntameerd, ook al raakte die vrijwel direct bedolven onder ‘een even conformistische en kletserige taal als die welke zij afloste’. In 1972 zag Levinas al dat de ‘protestgeneratie’ die het in ’68 zo mooi wist te zeggen, zich in een systeem zou ingraven, waartegen nu opnieuw de jeugd van leer moet trekken.

Levinas heeft altijd moeite gehouden met Heideggers sympathie voor het nazisme. Hij zei dat hij hem na de oorlog geen hand zou hebben gegeven, mocht hij hem ontmoeten. Maar hij heeft nooit de confrontatie opgezocht. Wanneer hij hem wel zou zijn tegengekomen, zou een taart in Heideggers gelaat een veelzeggende aktie zijn. Een gebakken inbreuk op het Zijn. Maar de schuchtere en zachtmoedige Levinas had liever inkt aan zijn vingers.

Rinus Vermuë is filosoof en biologisch boer

28

Rinus Vermuë