Wittgensteins angst

door Rinus Vermuë

(1 mei 2003)

Angst. Vele filosofen hebben erover geschreven. Maar heel vaak lieten ze de angst hun gang gaan, omdat ze die nodig hadden als mogelijkheidsvoorwaarde voor de vrijheid (Kierkegaard), of om het Dasein te funderen (Heidegger). Weinig filosofen hebben zo geprobeerd hun angst juist weg te filosoferen als de jonge Ludwig Wittgenstein (1889-1951). Al is zijn Tractatus logico-philosophicus nauwelijks te lezen als angstverdrijver, is het in samenhang met zijn biografie wel zo op te vatten.

plaatje Wittgenstein was niet bang uitgevallen, maar het stoorde hem buitengewoon dat hij bang was uit de toon te vallen. Volgens Rush Rheese liet Wittgenstein zich telkens in een rol dwingen waarin hij zichzelf verloochende. Hij speelde een rol die anderen van hem verwachtten, in plaats van gewoon zijn eigen goeie gang te gaan. Zo lezen we bij Ray Monk dat hij als kind een serie peuterdelicten opbiechtte bij zijn zus. Later zat hem dat vreselijk dwars omdat hij alleen maar bezig was ‘voortreffelijk over te komen’. Ander voorbeeld: aan een spijbelende broer moest hij toegeven dat hij nooit ziekte zou kunnen veinzen, omdat hij ‘bang was een slechte indruk te maken op zijn omgeving’. Ook dat hij zijn klasgenoten in Linz aansprak met ‘U’, zoals een rijkeluiszoontje betaamt, vervulde hem achteraf met weerzin. Hij leed voortdurend zelfverlies en dat kon hij niet verdragen – hij kon er niet eens zuiver door denken, klaagt hij later aan Bertrand Russell. Angst voor de buitenwacht lijkt zijn grootste probleem. In zijn dagboeken die zijn gepubliceerd als Notebooks ’14-’16 smeekt hij om onafhankelijk te mogen worden: ‘Hang niet van de uiterlijke wereld af, dan hoef je ook niet bang te zijn voor wat in die wereld gebeurt’, schrijft hij in november 1914.

Zijn afhankelijkheid van de buitenwereld bestrijdt hij op twee fronten. Ten eerste gaat hij de confrontatie aan met de angst en neemt dienst in het Oostenrijks-Hongaarse leger. Hij solliciteert naar de verst vooruitgeschoven post aan het front, en moet ’s nachts op wacht staan. Na een nacht in mei, waarin de granaten hem rond de oren fluiten, schrijft hij: ‘In voortdurend levensgevaar… Af en toe bang geweest. Dat is te wijten aan een verkeerde levensopvatting’ (7-5-’16).
Aan de andere kant probeert hij de juiste levensopvatting in zijn filosofie vorm te geven. In zijn dagboeken houdt hij zijn gedachten daarover bij. Constante daarin is, dat het subject los moet staan van de wereld, d.i. van de feiten. Pas dan is de angst ook logisch te overwinnen. Maar hoe doet Wittgenstein dat?

De wereld zoals Wittgenstein die ziet, is alles wat het geval is, dwz. de totaliteit van de feiten. Maar het ik komt daarin niet voor. Alleen de wereld is het geval, en het ik met al zijn gedachten, angsten en wensen daarover behoort niet tot de feiten en dus niet tot de wereld. Het subject komt nooit verder dan de grens van de wereld. Dit is de befaamde demarkatie van waar je wel en waar je niet over kunt spreken.
Pas als het subject met de wereld in overeenstemming kan leven is het gelukkig. In zijn Notebooks noteert hij: ‘Glücklich sein ist: keine Furcht haben. Auch nicht vor dem Tode… ist in Übereinstimmung mit der Welt sein… in der Gegenwart leben’ (8-7-’16). Dat komt bijna geheel uit Schopenhauer, wiens De wereld als wil en voorstelling Wittgenstein in die bange oorlogsdagen aan het lezen was: ‘Wie vrede heeft met het leven zoals het is, wie het leven op alle mogelijke manieren bevestigt, die kan het vol vertrouwen als eindeloos beschouwen en de angst voor de dood als een drogbeeld uitbannen’ (WWV, I, par. 54).
Maar waar Schopenhauer zich baseert op de wil en de voorstelling, valt voor Wittgenstein deze basis af: Das vorstellende Subject gibt es nicht (stelling 5.631 van de Tractatus) en de wil gaat in je hoofd vooraf aan de feiten en heeft er geen causaal verband mee – mocht er toch iets overeenkomstig jouw wil geschieden is dat slechts een Gnade des Schicksals (6.374).
Als de wil van het subject zo weinig voorstelt, kun je je afvragen hoe die ‘overeenstemming met de wereld’ dan nog tot stand te brengen is.
Wat de wil wel kan, is de grens van de wereld veranderen (6.43). In de grens van de wereld situeert Wittgenstein het metafysische subject, dat zich als een talige pasvorm om het gegevene van de wereld sluit.
Ik weet niet hoe je dat voor je moet zien, maar vergelijk het subject met een puddingvorm en de wereld met een pudding. Alleen als de puddingvorm en de pudding adequaat opelkaar passen is er overeenstemming. Zo ook: als het talige subject met zijn volzinnen en de wereld met haar feiten opelkaar passen – en als je maar wil, lukt dat – leeft het subject in overeenstemming met de wereld.
Dus wanneer je de wereld neemt zoals die is, dat is zonder gedachten, angsten, wensen en overig gejeremieer der mensheid, dan ben je gelukkig, en kan zelfs de dood je niet beangstigen. Je zou het een stoïcijnse correspondentietheorie kunnen noemen, of Epicurus volgens het demarkatieprincipe. Want zei Epicurus niet reeds: ‘Het verschrikkelijkste kwaad dat er is, de dood, raakt ons in het geheel niet, aangezien de dood er niet is zolang wij bestaan en wij niet bestaan zodra de dood komt’.
Wittgenstein is inderdaad zonder angst en in berusting doodgegaan. Op zijn laatste verjaardag gaf zijn hospita hem op zijn ziekbed een elektrische deken met de wens ‘nog vele jaren’. Hij keek haar bestraffend toe en zei: ‘Er zullen geen jaren meer volgen’. Drie dagen later, 29 april 1951, stierf hij.

Rinus Vermuë is filosoof en biologisch boer

27

Rinus Vermuë