Naar een globalistische ethiek

door Rinus Vermuë

(1 maart 2003)

Vijfentwintig eeuwen hardop denken wemelt van de morele stellingnames. Of die stellingnames nu voorafgingen aan de eerste daden van de mens, of slechts achterafbeschrijvingen waren van hoe men het altijd al deed, is wel nooit te achterhalen. Maar ooit zijn ze als morele principes vastgelegd en overgeleverd en min of meer gemeengoed geworden in ons denken – al valt dat soms nog zo weinig aan ons handelen af te lezen. Morele stellingnames vergezellen ons handelen als het koekje de thee.

plaatje Maar nu zegt antiglobaliste Noreena Hertz op de Dag van het Ethisch Beleggen in een interview met de ASN-bank: ‘Morele principes hebben de wereld nog nooit veranderd, machtsverschuivingen wel’ (Spaarmotief, feb. 2003). Meent ze dat nou? Doen morele principes er niet toe?

De ethische imperatieven vormen een lange sliert van Confucius naar Kant, en van Jezus naar Jonas. Ze willen nogal eens de vorm aannemen van de morele regel die de dikke Van Dale gehaald heeft: ‘wat gij niet wilt dat u geschiedt, doe dat ook een ander niet’.
Veel van die principes hadden echter de hebbelijkheid slechts lokaal te werken. Neem bijv. de categorische imperatief van Kant: ‘Handel zo dat je kan willen dat je maxime een algemene wet wordt’. Ofwel: handel zo dat je je persoonlijke gedragsregel tegelijkertijd ook tot een algemeengeldende regel zou kunnen maken.
Maar stel: het maxime betreft het leveren van zo goedkoop mogelijke olie. Veel benzineslurpende Nederlanders willen onder aanvoering van de ANWB zo’n maxime zo snel mogelijk tot wet verheffen. Als daardoor echter allerlei oliegebieden worden verontreinigd, dan blijkt de ontoereikendheid van de categorische imperatief. Inderdaad, je kunt het willen, het is niet onlogisch het te willen, maar het maxime is potentieel verenigbaar met dubieuze praktijken elders.
Volgens Hans Jonas in zijn Prinzip Verantwortung (1979) kan het zelfs verenigbaar zijn met de vernietiging van de wereld. Er is althans geen logische tegenstrijdigheid tussen het goed doen met het oog op de categorische imperatief en het op het spel zetten van toekomstige generaties. Mede daarom moet, aldus Jonas c.s., gestreefd worden naar een meeromvattende moraal. Maar Noreena Hertz vindt volgens genoemd interview al dat gemoraliseer blijkbaar onnodig.

Noreena Hertz, econome en filosofe, schreef met De Stille Overname (2001) een zeer lezenswaardig en intelligent antiglobalistisme-boek. Haar voorbeelden illustreren dat het de meeste bedrijven alleen te doen is om winstmaximalisatie. Daar is niets mis mee, ware het niet dat ze de regels der betamelijkheid niet zelden overschrijden. Zodra de lonen hoger worden, de milieulasten te duur, de vakbonden te lastig en de sociale verplichtingen te zwaar, verdwijnen de ondernemingen naar een ander land, sociale ontreddering en een milieupuinhoop achterlatend.
Daarom hamert ze op rechtvaardigheid, rechtvaardigheid, rechtvaardigheid. Tientallen keren kwam ik dat woord tegen. Maar waarom, vroeg ik me het hele boek af, heeft rechtvaardigheid zo’n sleutelpositie? Welnu, zegt ze, weggestopt in noot 34 van het vierde hoofdstuk, ‘ik ben van mening dat er een aantal mensenrechten is dat koste wat kost verdedigd moet worden’. Maar welke mensenrechten dan? Help me, Noreena, uit te leggen wat die rechtvaardigheid is.
Ach, hoeft ook niet. Noreena appelleert aan een kennelijk bij iedereen aanwezig rechtvaardigheidsgevoel waardoor we ons moeten laten leiden. Ze ziet daarbij een rol weggelegd voor de consument. Ze beschrijft in De Stille Overname hoe dat bij haarzelf gaat: ‘Twee benzinestations aan weerszijden van de weg. Zelfde prijzen, zelfde benzine. Herinner me dat de linkse betrokken was bij een olielek in Nigeria. Sla zonder meer rechtsaf’. Stemmen door te winkelen, noemt ze dat. Het lijkt me een morele stellingname.

Toch zegt ze in het interview: ‘Ik ben een realist. Morele principes hebben de wereld nog nooit veranderd, machtsverschuivingen wel. Multinationals moeten zich op de een of andere manier gedwongen zien om compromissen te sluiten, simpelweg omdat ze anders uiteindelijk minder omzet maken. (…) Ze moeten bereid zijn om na te denken over meer wereldwijde regelgeving op het gebied van milieu of mensenrechten’.
Maar dat afdwingen van een rechtvaardiger bedrijfsvoering komt toch voort uit een moreel principe, hoe verstolen ook geformuleerd? Of toch niet?
Een moreel principe zegt dat je zo en zo hoort te handelen. Dat is inderdaad niet waar ze op aanstuurt. Waar ze wel op uit is, is een verandering in het consumentengedrag die als vanzelf optreedt en waar de multinationals wel naar zullen moeten luisteren. Zo’n automatische gedragswijziging zou echter betekenen dat die eis tot rechtvaardigheid een aangeboren morele kwaliteit is, zonder dat daarvoor een moreel principe nodig is. Als rechtvaardigheid aangeboren is, hoe kon een bedrijf dan ooit onrechtvaardig zijn gaan doen? Of hebben alleen de consumenten dat gen, en niet de bedrijfsleiders? Dat lijkt me ook niet het geval.
In een poging ‘realist’ te blijven, heeft ze zich verre willen houden van morele principes. Maar tegelijkertijd stelt ze impliciet een rechtvaardigheidseis aan de consument, die ik overigens van harte toejuich. Ik zou hem expliciet willen maken in een globalistisch consumentenmaxime: Koop uw producten zo, dat de producent in de productie niets heeft ondernomen of hoeft te ondernemen wat u vanuit uw rechtvaardigheidsgevoel zelf ook niet zou willen ondernemen®.

Rinus Vermuë is filosoof en biologisch boer

24

Rinus Vermuë