Word je van kunst een beter mens?

door Rinus Vermuë

(1 februari 2003)

Ach ja, wat is kunst dan nog in Nederland. Een stukje krant ter grootte van een doorzonwoning, en verder overal onder hun concept bezweken installaties.

plaatje Nee dan vroeger, toen het kunstenaarsschap nog veroverd moest worden op de elementen, op het ‘idiote staren’ van het lege doek (Van Gogh) en op de eigenzinnigheid van de materialen. In plaats van er de kwasten bij neer te gooien, ging men er dan eens lekker voor zitten, teneinde de kunst definitief op de knieën te dwingen. En dat mocht een hele schildersloopbaan duren, het liefst stierf men in het harnas, nog liever schilderden ze op het doodslinnen binnen in hun kist voort. Maar dan had je ook wat. Een oeuvre, een plaats in de canon, en in de toekomst een tentoonstelling met hun naam.
Nu is de ooit onoverbrugbaar geachte scheiding tussen hoge en lage cultuur getorpedeerd door de Al Quaeda van de slechte smaak en is kunst tot Spielerei verworden. Je ramt een paar materialen bij elkaar, met een verwijzing naar de Antieken en een knipoog naar een stripheld, sokkeltje met je naam d’ronder en klaar is Kees. Voordat het van ellende in elkaar stort (en dat doet het, is niet alles vergankelijk?), moet je het voor grof geld verkopen. Dan ben je nl. een gevierd kunstenaar. De dagen van Van Gogh, die in zijn leven slechts een werk verkocht, zijn voorgoed voorbij.
En waar is al die postmoderne rimram goed voor? Dient het ook ergens voor? Tja, daarnaar vragen getuigt misschien pas echt van een slechte smaak.
Rudi Fuchs, ex-directeur van het Stedelijk Museum te Amsterdam en zelf nooit te beroerd om tegen de smaak van het grote publiek in te exposeren, verdedigde zijn kunst in een interview ooit zo: ‘Ik vind dat mensen naar die moderne kunst moeten gaan kijken. Zoveel moois maakt je een beter persoon. Ik geloof dat mensen die naar schilderijen kijken elkaar niet op de hersens timmeren, doodslaan, verkrachten of anderszins geweld aandoen’ (Rails, 1998).

Hoe zou Kants esthetische oordeel hierover geluid hebben?
Kant heeft met zijn zeer invloedrijke esthetica in de Kritik der Urteilskraft een zedelijke verheffing van de mens op het oog. Volgens Kant was schone kunst die kunst die het best de natuur nabootste: ‘Schöne Kunst ist eine Kunst, sofern sie zugleich Natur zu sein scheint’. Voor het zuivere esthetische oordeel moet ons niet het water in de mond lopen omdat bijv. de vruchten zo lekker zijn afgebeeld, dat is geen schone kunst maar mechanische kunst die de smaak bederft. Kant noemt geen namen, maar Schopenhauer, de belangrijkste Kantiaan, verweet vooral de Nederlanders met hun stillevens deze bedriegerij.
Nee, om oog te krijgen voor het schone moeten we kijken met een ongeïnteresseerde blik, d.i. zonder tussenkomst van de kenvermogens en zonder verrukt of ontroerd te raken. Ook de kunstenaar moet zich bij het nabootsen van de natuur daar niet door van de wijs laten brengen. Dat lukt alleen het ware genie, dat zijn gaven ten slotte aan de natuur zelf ontleent, en dat de natuur als het ware in zijn binnenste aanvoelt bij het scheppen van zijn kunst. Als voorbeeld haalt Schopenhauer Nederlandse landschapsschilders, met name Ruysdael, aan, die alles ‘louter en alleen door de innerlijke kracht van het kunstzinnig gemoed tot stand gebracht’ hebben. Misschien zou Kant het eens geweest zijn met André Gide, die zei: ‘Kunst ontstaat door de samenwerking van God en de kunstenaar, en hoe minder de kunstenaar erbij doet hoe beter’.

Kant lijkt het meest aangesproken door het schone van de natuur, omdat we volgens hem de natuur, wegens haar doelmatigheid, mogen zien alsof een kunstenaar (Gides God?) haar vervaardigd heeft. Alles lijkt naar juiste proporties en onnavolgbaar gemaakt, en vervuld van het Idee van het schone. Alleen de kunst van het genie weet het natuurschoon te benaderen.
Ons vermogen over het schone van de natuur en van de geniale kunst te oordelen is voor Kant tegelijk de voorwaarde voor de zedelijke verheffing van de mens. Als we namelijk de link kunnen leggen tussen het schone Idee en het (in kunst gevatte) natuurobject (en dat kunnen we in principe allemaal: smaak voor het schone is subjectief maar ook algemeengeldig en valt dus niet te betwisten) dan kunnen we ook de link leggen tussen het morele Idee en de werkelijkheid. Daarom noemt Kant de schoonheid ook wel het symbool van het zedelijke. Het schone is dus een instrument voor het goede. Ontvankelijkheid voor het schone opent luiken in onze geest voor het goede.
Ook Fuchs ziet blijkbaar in het vermogen om kunst te waarderen de voorwaarde voor zedelijke vermogens. Maar omdat hij zich daarvoor niet kan baseren op natuurnabootsing – moderne kunst doet daar niet meer per se aan – is hij geen echte Kantiaan. En als hij werkelijk Kantiaan was, zou hij de zelfkastijdingswerken van Tracey Emin en de ontbindende koeienkoppen van Damien Hirst moeten weigeren. Want, schrijft Kant, er is één soort lelijkheid dat niet natuurgetrouw kan worden voorgesteld zonder elk esthetisch genoegen inclusief de kunstschoonheid in de grond te boren, nl. die welke walging opwekt. Daar zijn onze esthetische vermogens kennelijk niet op gebouwd.
Maar alles beter dan ongeïnteresseerd blik van het merk Audi achter de ramen van het Stedelijk. Want als ik ERGENS agressief van word…

Rinus Vermuë is filosoof en biologisch boer

23

Rinus Vermuë