Langs de filosofische leeslat

door Rinus Vermuë

(1 december 2002)

Rinus Vermuë legt de opvattingen van Ian McEwan en Douwe Draaisma over de rol van de emoties bij het lezen van literatuur langs de filosofische leeslat van Ricoeur. Wordt de emotie nu vóórondersteld bij het lezen, of komen de emoties pas los na het lezen?

plaatje Ter gelegenheid van de twintigste Van der Leeuw Lezing (afgedrukt in Volkskrant, 9-11-2002) spraken de Engelse schrijver Ian McEwan en psycholoog-publicist Douwe Draaisma over de rol van de emoties bij het lezen van literatuur. McEwan zei dat het onmogelijk is ‘om literatuur te lezen en te waarderen uit een tijd die ver van ons af ligt, of van een cultuur die grondig verschilt van de onze, als we geen gemeenschappelijk emotioneel terrein, geen diep reservoir van uitgangspunten met de schrijver deelden’. Draaisma, co-referent bij McEwans lezing, vindt literatuur pas interessant worden voorbij het niveau van de elementaire basale emoties: ‘Wat we in een roman zoeken komt daarna, bij het delicate weefsel van de gemengde gevoelens en van de emoties die worden opgeroepen dóór emoties, de “meta-emoties”’.
Tja, vraagt uw deeltijdfilosoof zich af, wordt de emotie nu vóórondersteld bij het lezen, of komen de emoties pas los na het lezen? Ik kwam er pas enigszins uit toen ik beide standpunten langs de leeslat van Ricoeur legde.

Maar eerst valt er nog wel wat op beide sprekers af te dingen. Zo baseert McEwan zich op Darwins ‘De uitdrukking van emoties bij mens en dier’ om aan te tonen dat emoties universeel zijn. Alle rassen en culturen lachen, evenals de primaten, zelfs katten en honden. ‘De uitdrukkingen van emotie zijn het product van evolutie, stelde Darwin, en dus universeel’. Hieruit concludeert McEwan even verder dat we dankzij deze uitdrukkingen literatuur uit ver verwijderde beschavingen kunnen lezen en waarderen.
Dat lijkt me een reuzenstap. Zijn die uitdrukkingen wel zo universeel? Hij geeft n.b. zijn eigen tegenvoorbeeld: ‘Het eten van een slak of een stuk cheddar-kaas kan in de ene cultuur tot verrukking en in de andere tot walging leiden’. Hoe kunnen we de uitdrukkingen van de emotie op waarde schatten als de oorzaak zo verschillend is? Inderdaad, soms kan dat niet. Begrijpen we het lachen bij een onthoofding omdat we zelf ook wel eens lachen? De uitdrukkingen zijn misschien universeel, maar niet hun betekenis.

Ook Draaisma vergaloppeert zich. Hij geeft een gedachtenexperiment van de Noorse filosoof Jon Elster: als emoties werkelijk universeel zijn, zouden we zelf representatief zijn voor alle tijden, voor alle culturen. Dat ‘zou betekenen dat we aan – zeg – de Victoriaanse roman genoeg hebben om alle tijdperken en culturen te begrijpen’. Ik denk eigenlijk dat we dan helemaal geen roman nodig hebben. Als we toch maar dingen lezen die we al weten, hebben we aan onszelf wel genoeg.
Dit suggereert McEwan dan ook niet. McEwan spreekt over het delen van een ‘gemeenschappelijk emotioneel terrein’ als noodzakelijke voorwaarde voor het knetteren van de letteren, Draaisma heeft het over exacte kopieën van emoties. Ja, dan is een roman letterlijk zoals Stendhal schreef een spiegel die voortwandelt over een hoofdweg.
Het gesuggereerde tegendeel, dat we geen enkele emotie gemeenschappelijk hebben, werkt Draaisma niet verder uit, maar hij zou ook niet ver komen. In zo’n postmoderne visie zou ieder literair bouwsel, om Patricia de Martelaere te parafraseren, instorten bij het betreden ervan.
Draaisma let liever niet op de voorwaarden voor literatuur, maar op wat zij teweegbrengt, op ‘de emoties die worden opgeroepen dóór emoties, de “meta-emoties”’. Maar wat zijn dat dan voor emoties? Meta is boven, buiten, dus… zijn het boven of buiten de emoties vallende emoties? Of nog niet vertoonde, nieuw inzicht verschaffende emoties? Of is het nieuw schoolplein-speak? ‘Hoe vond je het boek?’ ‘Nou, meta!’. Ik vond het maar meta-ingewikkeld.

Misschien kunnen hun verschillen dialectisch worden opgeheven door de Franse filosoof Paul Ricoeur (1913). Ten einde met andere culturen in contact te komen raadt McEwan aan op reis te gaan in onze boekenkast. ‘De literatuur moet onze antropologie zijn’. En Draaisma vindt dat een goede schrijver een seismograaf van onze menselijke gevoelens moet zijn. ‘Schrijvers vinden er in de innerlijke monologen en observaties van hun personages woorden voor en verhelderen ze voor ons’. We kunnen dus volgens McEwan in de literatuur terecht voor kennis van het (gemeenschappelijk) menselijke in de ander, en volgens Draaisma voor kennis van het andere waarvan we nog niet wisten dat het leefde in óns.
Het is allemaal terug te vinden bij Ricoeur. Volgens hem kan mijn emotie nooit de uwe worden, alleen de betekenis ervan wordt openbaar in taal. Literatuur heeft het vermogen om ons ‘imaginatieve variaties’ van de reële wereld (incl. alle emoties) voor te toveren. In deze wereld van de verbeelding, zoals Theo de Boer het noemt, vinden we een bestaansontwerp, een ontwerp zowel van wat reeds in ons leefde, maar nog niet door ons gearticuleerd was, als van hoe we zouden kunnen of willen leven. Wat zouden we weten, zegt Ricoeur, van liefde, haat of goed en kwaad, en in het algemeen van het zelf, als we niet de literatuur hadden? Zo zei De Boer ooit dat we dankzij Shakespeares ‘Othello’ beter weten wat jaloezie is – Othello als vroege voorbeeldallochtoon van de emoties!
In de wereld van de verbeelding kunnen we tot begrip van ons zelf komen, maar dan niet van een gefixeerd zelf – dat zou een starre mens uit Draaisma’s gedachtenexperiment opleveren – maar als van een lezer die zichzelf uitlevert om een verrijkt zelf uit de tekst terug te krijgen.
Plat gezegd komt het er volgens Ricoeur op neer dat we niet onszelf kennen door introspectie, maar door teksten te lezen waarin over ons geschreven is.

Rinus Vermuë is filosoof en biologisch boer

21

Rinus Vermuë