De oorsprong van het postmodernisme

door Rinus Vermuë

(1 oktober 2002)

In de discussie over het nut van interdisciplinaire wetenschappen als Cultural Studies reageerde René Boomkens op Solange Leibovici’s opvatting over postmodernisme. Volgens Leibovici heeft het postmodernisme de grens tussen hoge en lage cultuur opgeheven, maar volgens Boomkens is het precies andersom: ‘de geleidelijke erosie van de grenzen tussen hoge en lage cultuur (zoals tussen columns en romans, tussen poëzie en kindergedichten, tussen urinoirs en beeldhouwwerken, tussen foto’s en schilderijen, tussen Lucebert en Annie M.G. Schmidt, enz.) vormde een van de belangrijkste aanleidingen en motieven van het postmoderne denken’ (De Groene, 6-4-2002).
Tja, denk ik dan, Boomkens is in de tijdgeest gekropen en ontdekte precies de causaliteit van de Weltgeschichte. Zou het nou echt zo gegaan zijn?

plaatje De essentie van het postmodernisme is dat uit de dingen de essentie is weggeglipt. Woorden die een essentiële betekenis zouden hebben, dingen die een essentiële vorm en inhoud zouden hebben, en de waarnemende mens die van dat alles een onbetwijfelbare kennis kon krijgen – dat was dan zíjn essentie – onder die aannames is door het postmoderne denken de bodem weggetrokken, ook al willen sommigen daar nog niet aan, bang als ze zijn dat er dan helemaal niets meer voor zeker gehouden kan worden, geen logica, geen wiskunde, en, wat God verhoede, geen God.
Maar kwam er nu eerst in de cultuur een einde aan de gedachte dat iets ‘essentieel’ zus was en niet zo (c.q. hoog en niet laag), of gingen postmoderne spraakmakers daaraan vooraf? Hoe gaan dat soort ontwikkelingen?

Ik denk dat overal op de wereld onderzoekers in hun deelgebiedjes bezig zijn nieuwe en beter probleemoplossende theorieën te verzinnen voor wis-, natuur- of taalkundige problemen. Buiten de kamer van de geleerden draait de wereld gewoon door met haar krantenlezende, wrattenpulkende en meningventilerende bewoners, maar heel soms wordt een veelbelovende theorie opgepikt door geleerden in naburige faculteiten omdat die daar, in gestandaardiseerde of gespecificeerde vorm, ook problemen blijkt te kunnen oplossen. De theorie zal, als het een succesvolle theorie is, steeds vaker worden herschreven en opgerekt, voor terreinen ver buiten het terrein waarvoor ze aanvankelijk ontworpen was, in literatuurkritiek, sociologie, etc.
Dan komt vrij plotseling een moment dat men in die uitwaaierende theorie een blauwdruk herkent voor wat er in die ondertussen maar doordraaiende wereld aan de hand is. Spoedig verschijnen de adepten van wat een paradigma is gaan heten die analyseren hoe diep deze denkwijze zich in alle hoeken van de samenleving heeft genesteld. Welwillende verbreiders herformuleren de oertheorie – of wat daarvan in herschreven en opgerekte vorm nog van over is – op onherkenbare maar makkelijker te vatten en populairdere wijze, zodat zij in alle rangen en standen geaccepteerd, of dan toch in ieder geval bekend wordt. Dé theorie is het dan allang niet meer. Het gevoel dat er volgens de massa bij hoort, is ervoor in de plaats gekomen. Via alle bemoeienissen van mensen die er verstand van hadden, en onder invloed van mensen die dat gevoel het beste belichaamden, tot en met mensen die alles blindelings toejuichen wordt uiteindelijk een denktrant gemeengoed waarzonder men zich geen wereld meer kan voorstellen. Het is een bril die iedereen heeft opgezet. De oude bril verraadt zich alleen nog in archaďsch spraakgebruik of in rudimenten van het denken, zoals ‘de zon gaat onder’ nog een geocentrisch wereldbeeld verraadt.
Zo ging het ook met het postmodernisme. Een van de voorvaderen van het postmodernisme, de Zwitserse linguďst Ferdinand de Saussure (1857-1913), is wel de aanbrenger van de oertheorie, maar zelf absoluut geen postmodernist. Hij was hooguit postmodern in zijn bewering dat woorden geen essentiële betekenis hadden, zoals men sedert Aristoteles leerde. De betekenis van een woord wordt, aldus De Saussure, in wezen niet bepaald door een begrip, maar door zijn plaats in het taalsysteem en door het verschil met alle andere woorden in dat taalsysteem. Dit systeemdenken leidde tot het structuralisme, en het verschildenken tot de postmoderne aandacht voor de Ander van Levinas, Lyotard, Kristeva, Foucault en Derrida. Maar voor de laatste aanpassing heeft De Saussures theorie moeten wachten op een ramp als de tweede wereldoorlog (een oorlog die in feite één grote vervolging was van mensen die ‘in essentie’ zus waren en niet zo).

Na zo’n vijftig jaar staan historici op die willen weten waar het allemaal mee begon. Denkelijk komen er evenveel oorzaken als er zijn aangewezen voor de val van Rome. Kunsthistorici wijzen op een schilderij dat als eerste een gedecentreerd subject toont (Magrittes ‘Het glazen huis’?), literatuurwetenschappers komen met ‘Mann ohne Eigenschaften’, en de filosoof plaatst weer eens voetnoten bij voetnootplaatsers bij Plato.
Al die pogingen laten onderbelicht dat er in de mensen iets leefde dat hunkerde naar een nieuwe bril die de oude bril van het essentialisme moest vervangen. De wereld ademde reeds het paradigma van erkenning van verschillen, er moesten alleen nog de juiste woorden voor gevonden worden, waardoor de mensen begrepen wat ze altijd al dachten. In zo’n tijdgewricht lopen altijd wel grote denkers rond die de vinger aan de pols van de tijdgeest houden en in een bijzondere resonantie daarmee een oude theorie omsmeden tot een langverwachte zienswijze.
Maar nooit zal een theorie het uit zichzelf redden en een culturele omslag bewerkstelligen, evenmin als een culturele omslag zonder (grote) denkers zou kunnen plaatsgrijpen.

Rinus Vermuë is filosoof en biologisch boer

19 / Laatst gewijzigd: 02-Sep-2006

Rinus Vermuë