Mulisch promoveert tot God

door Rinus Vermuë

(1 juni 2002)

Niet zelden ben ik bij bewustzijn gebracht op de vloer van een boekenzaak, pal voor de tafel waarop ’s winkels hoogst genoteerde literatuur ligt uitgestald. Op mijn versufte vraag wat ik daar deed, antwoordde men mij steevast dat ik in slaap was gevallen tijdens het lezen van de nummer een van de literaire top tien.

plaatje Een gewaarschuwd arts diagnosticeerde eens narcolexie, een zeldzame afwijking die de patiënt verhindert om meer dan één bladzijde van een boek te lezen. Dat laatste klopt in elk geval: bij navraag bleek dat men mij nooit verder had zien bladeren dan de eerste bladzijde. De arts ried mij aan om voortaan boekwinkels te mijden.
Toch had ik redenen te twijfelen aan de diagnose. Ik sla in de boekhandel zeer regelmatig een filosofisch werk open om te lezen, hetgeen ik ongemankeerd tientallen pagina’s kan volhouden. Bovendien heb ik jarenlang filosofie gestudeerd, een studie die welhaast geheel bestaat uit lezen. Ware ik enigermate narcolectisch geweest, dan had ik de studie nog geen twee weken volgehouden.
Het ligt dan ook in de rede, dat ik steeds harder twijfelde aan de diagnose, en begon te vermoeden dat het niet aan mij lag, maar aan hetgeen op de tafeltjes lag uitgestald bij wijze van literatuur-top tien, en dan met name aan de kwaliteit van de onderhavige werkjes. Altijd dat postmoderne gestrooi met betekenaars op zoek naar betekenis, terwijl de wereld in brand staat…
Hoezeer verwarde het mij dan ook te horen dat ene H. Mulisch, door verdienstelijke bezigheden op het grensvlak van literatuur en filosofie, een doctoraat in de wijsbegeerte toegekend zou worden. Ik ben in de filosofie redelijk thuis, maar deze naam was ik daar werkelijk nog nooit tegengekomen. Toch begon mij langzaam te dagen, dat ik zelfs een boekje van iemand met die naam in de kast had staan. En warempel, na enig zoeken zag ik tussen de boekenweekgeschenken (waarvan ik uiteraard alleen Carmiggelt en Rushdie gelezen heb) een boekje van Harry Mulisch: ‘Het theater, de brief en de waarheid. Een tegenspraak’.

Voor deze speciale gelegenheid zette ik de ramen op elkaar open, bracht preventief vlugzout aan op mijn voorhoofd en polsen, zetelde mij met het boekje in een leunstoel, en begon te lezen.
Het is een in tweeën geknipt verhaal met in het eerste knipsel de lijkrede van de man op zijn vrouw, die dadelijk gecremeerd zal worden, en in het tweede de lijkrede van de vrouw op haar man die zo meteen zal worden begraven. Geen vuiltje aan de lucht, ware het niet dat het in beide delen dezelfde man en vrouw betreft. Als hint noemt de mannelijke verteller de naam Cusanus, de vijftiende-eeuwse filosoof, ‘de man van de coincidentia oppositorum, het “samenvallen der tegendelen” in God’ (p. 17).
Cusanus, of Nicolaas van Cusa (1401-1464), was de whizzkid van de middeleeuwse filosofie en de overgangsfiguur van de Middeleeuwen naar de Renaissance. In een magistrale poging de tegenstellingen in zijn tijd te overbruggen, stelt Cusanus dat boven alle individuen één God staat. De mens probeert tot kennis van de wereld te komen door met het verstand de zintuiglijke indrukken uiteen te leggen in tegenstellingen – dag-nacht, groot-klein, existentie-essentie, etc. Maar hoezeer hij het oneindige universum ook zal doorvorsen, de menselijke kennis zal altijd blijven steken in deze tegenstellingen. Alleen in God zullen de tegendelen elkaar tegenkomen en samenvallen, dat is de reeds genoemde coincidentia oppositorum. Op aarde blijven de tegendelen voor altijd onderscheiden.
Ook Mulisch voert zo’n ‘tegenspraak’ op: de toespraak van de man bij de doodskist van zijn vrouw en de toespraak van de vrouw bij de kist van haar man – niet een oppositie die Cusanus op het oog had, lijkt me. In zijn ‘Verantwoording’ schrijft Mulisch daarover: ‘Hun combinatie is onmogelijk. Het zijn twee complementaire werelden die elkaar uitsluiten… De combinatie die dit diptiek vormt (…) is logisch en technisch tot in alle eeuwigheid onmogelijk, dat wil zeggen wonderbaarlijk’ (p. 84).
Is de kous daarmee af? Nee, er komt nog een uitsmijter met verstrekkende gevolgen. ‘Is het dus een absurd hersenspinsel? Misschien. Maar misschien ook niet. Misschien toont het nu juist de volledige waarheid’. Wat Mulisch hiermee wil zeggen is duidelijk. Als de tegendelen die elkaar uitsluiten in dit boek toch samenkomen, dan moet God niemand minder zijn dan H. Mulisch.

Naar mijn smaak is dit boekenweekgeschenk weer een goed voorbeeld van de bekende Nederlandse literatuur, waarin betekenaars op zoek zijn naar betekenis, oeuvres op zoek naar schrijvers, en waarheden op zoek naar God. En dat past weer precies in de traditie van de stapeltjes die ik in de boekhandel pleeg aan te treffen. En daarmee… wat we nodig hebben… heb ik dacht ik… zzzzzzzzzz

Rinus Vermuë is filosoof en biologisch boer

17

Rinus Vermuë