Met Machiavelli of met jezelf naar de verkiezingen

door Rinus Vermuë

(1 mei 2002)

Meer en meer draait het in de politiek om echtheid, authenticiteit, jezelf zijn. Waar zijn die bewonderde eigenschappen, waarvan Machiavelli schreef dat politici ze, al was het maar in schijn, moesten hebben? Niemand rept meer van barmhartigheid, betrouwbaarheid, menselijkheid, oprechtheid, godsdienstigheid. Nee, laat onze man maar zichzelf blijven! Volgens boze tongen was Koks aftreden vooral een symbolische daad die moest aantonen dat men nu een hoogsteigen authentieke morele keuze maakte en zich definitief distantieerde van het achterkamertjesimago. Nee, niet alleen de oppermatroos van de authenticiteit is zichzelf, ook paars kan er wat van. En heel Den Haag juichte.

plaatje Aan dat jezelf zijn kleeft echter een levensgroot probleem. (Alsof dat zou kunnen, jezelf zijn. ‘Jezelf zijn’ is een relict uit vervlogen tijden, toen je nog geheel met jezelf kon samenvallen zonder gestoord te worden door valse waarnemingen. Maar sinds de argwaan in de filosofie is opgedoken, kunnen we verwachten dat zuivere introspectie even vertroebeld is als de waarneming van de dingen om ons heen. Maar afijn, in de publieke wereld van de beeldcultuur wil men nog zichzelf zijn). Neem nu Melkert. Melkert was altijd de beste leerling van de klas, en hij weet dat van zichzelf. Hij is zo iemand die 30 jaar na de HBS nog steeds weet dat het das Maulpeer is en niet die. Maar als hij iets van die zelfverzekerdheid van zijn gezicht laat afstralen, is het ook weer niet goed. Dan is hij arrogant, laatdunkend en wat niet al. En toen hij in het debat na de gemeenteraadsverkiezingen liet merken zeer de pest in te hebben, reageerde iedereen afkeurend. Laat hij zich meesleuren door zijn primairste emotie, authentieker kan het haast niet, en weer is het niet goed.

Deze ambivalente waardering kan op twee dingen wijzen.
In het debat hoorde men hem verstandige dingen zeggen in het belang van de kiezer, maar dwars door zijn fysionomie heen zag men iemand die helemaal niet aan de kiezer dacht, maar aan zijn eigen hachje. Men zag iemand die verstoord opkeek omdat zijn paars feestje verknald werd. Nietzsche schreef daarover: ‘Man lügt wohl mit dem Munde, aber mit dem Maule, das man dabei macht, sagt man doch noch die Wahrheit’. En iemand die ogenschijnlijk met twee monden spreekt, ligt slecht bij het publiek.
Toch zou je kunnen zeggen dat Melkert ‘echt’ reageerde. Hij wilde heus een keurig gesprekje, maar had zichtbaar de smoor in. Hij verborg zijn humeur niet. Dat is nu net wat men wél van hem verwachtte. Hij had stoïcijns moeten meepraten, ook al werd hem een braakmiddel toegediend.
Een andere reden waarom ‘jezelf zijn’ dubbel gewaardeerd wordt, kan liggen in het feit dat de tv alles uitvergroot. Zit je in het dagelijks leven wel eens te sippen, dan ben je op tv een chagrijn. Ben je, zoals Dijkstal, in eigen kring een joviale vijftiger, op tv wordt je tot een ingedutte ouderling die vergeefs zijn fronsen achter zijn varilux-glazen probeert te verbergen. Deze uitvergroting wordt overigens alleen zichtbaar in contrast met fortuinlijker toegeruste mensen, die tegelijkertijd in beeld verschijnen. Zij fungeren als de reikoren in de Griekse tragedie die de dwalingen der hoofdrolspelers becommentariëren. En ook daarbij gold al volgens Aristoteles: toneel is verhevigde werkelijkheid.

Jezelf zijn, authentiek zijn, etc. is dus niet zaligmakend. De mensen willen niet een gewoon mens als politicus, maar een mens die menselijke trekjes tentoonspreidt die niet tot op verontrustend niveau verhevigd kunnen worden. Intelligent maar niet betweterig, leuk maar niet belachelijk, oprecht maar niet wettisch.
Dat wil weer niet zeggen dat een slim acterende politicus het wel zal redden – zoals Machiavelli dacht, omdat de massa zich toch wel door de schijn zou laten meesleuren. De mensen prikken dat tegenwoordig door, waarschijnlijk juist omdat men op tv het gezicht kan zien dat men erbij trekt.
Dat neemt niet weg dat Machiavelli tot lering kan strekken. Om zich te weer te stellen tegen sluwe tegenstanders is het volgens hem goed wanneer de politicus niet alleen in de huid van de mens maar ook in die van het dier weet te kruipen. Hij noemt met name de vos en de leeuw. De vos om de valstrikken in de gaten te houden en de leeuw om de wolven schrik aan te jagen. Vervang de wolven van toen door de straathond van nu, en de parallel met deze tijd is duidelijk.
Machiavelli schetst daarop een strijd tussen virtù en fortuna. Met virtù, de gezamenlijke kwaliteiten van de vos en de leeuw – dapperheid, doortastendheid, snel inzicht – moet de politieke leider de grilligheden van fortuna, het lot, proberen te weerstaan. Fortuna, wispelturig als de loop van een rivier of de politieke situatie, is als een vrouw die men met behulp van de virtù stevig en voortvarend moet aanpakken, en desnoods afranselen. Door voorzichtigheid te betrachten komt men ten val zodra er een lotswisseling optreedt. En wisselen is fortuna nu eenmaal eigen. De politicus moet soms zelfs tot eigenschappen, tegengesteld aan die welke hij bezit, overschakelen wanneer de grillen van het lot hem dat voorschrijven, en gebruik maken van het kwaad.

De politicus van nu hoeft volgens Machiavelli dus niet zichzelf te blijven. Zelfs is het niet noodzakelijk dat hij de bewonderde eigenschappen bezit, ‘maar wel moet hij de indruk wekken dat hij ze bezit’. Met het bejubelen van Koks handelwijze hoopten de zittende politieke partijen te delen in die bewonderde eigenschappen. Of in het jezelf zijn? Kijken of het werkt, 15 mei.

Rinus Vermuë is filosoof en biologisch boer

16

Rinus Vermuë