De multiculturele monocultuur

door Rinus Vermuë

(1 februari 2002)

Natuurlijk is het nooit in me opgekomen de multiculturele samenleving te verdedigen. Veel van mijn kennissen delen de overtuiging dat we in zo’n samenleving leven, en nemen de seksuele, politieke en religieuze voorkeuren voor wat ze zijn: bijdragen aan de vele pogingen om Nederland niet alleen cultureel maar ook op ethisch vlak in dialoog en bij de tijd te houden. Mijn verdediging van de multiculturele samenleving zou hetzelfde zijn als mijn waarschuwing aan de vissen dat ze in het water zwemmen, en dat ze toch vooral niet moeten denken dat ze op de wal leven.

plaatje Maar nu lees ik steeds vaker dat het maar eens afgelopen moet zijn met die overtuiging. Jaffe Vink doet in Trouw het spreken over de multiculturele samenleving af als kolderiek gezwatel (Trouw, 9-2-2002), Balkenende vindt dat we er niet meer naar moeten streven (NRC, 25-1-2002), en Ephimenco spant met zijn Hollandreiterei de kroon: iedereen die denkt dat de multiculturele samenleving bestaat heeft een ‘probleem met de semantiek en het rationele denken’. Wat is er mis met mijn waarneming van de wereld en met die van (dacht ik) vele anderen? Of is de wereld van de nozele echt een andere dan die van de onnozele?

Zoals vaker met meningen in de krant is er sprake van verzwegen vooronderstellingen. Een beetje grasduinen in hun proza leert dat ze de multiculturele samenleving verwerpen omdat ze een bepaalde voorstelling daarvan verwerpen. Balkenende kwijt zich logisch keurig van zijn taak en zegt welke voorstelling hij niet wil: een optelsom van naast elkaar bestaande culturen, zonder gemeenschappelijke aanvaarding van de waarden zoals die zijn neergelegd in de Grondwet. Maar hij concludeert niet dat de multiculturele samenleving niet bestaat.
Vink en Ephimenco doen dat wel. Beiden blijken zich te baseren op een voordracht uit 2000 van Paul Schnabel, directeur van het SCP, getiteld ‘De multiculturele illusie’. Ook Schnabel brengt, zij het genuanceerd, de multiculturele samenleving om zeep. Hij – en in zijn kielzog dus Vink en Ephimenco – vindt dat een multiculturele samenleving die naam pas verdient als zo’n samenleving toegroeit naar een ‘nieuwe, gemeenschappelijke en uiteindelijk gemengde cultuur’, ofwel een vermenging van waarden van de zittende samenleving met die van de nieuwkomers tot nieuwe waarden. Omdat de Nederlandse waarden (Schnabel noemt gelijkheid, vrijheid, rechtvaardigheid, gemeenschappelijkheid) op geen enkele wijze zijn veranderd onder invloed van de nieuwkomers is er van een multiculturele samenleving geen sprake. Cultuur is niet onderhandelbaar, stelt hij dan ook. Anders ligt dat met de B-cultuur of de leefstijl-cultuur. Daarin is het een en al cut-and-mix, fusion, smeltkroes en hutspot. Wie de B-cultuur van leefstijlen verwart met de cultuur van normen en waarden (de A-cultuur), ziet de zaak te simplistisch. In de B-cultuur is wel versmelting, in de A-cultuur niet. Er is dus wel multi-B-culturaliteit, maar geen multi-A-culturaliteit.

Ik vind het prima om je eigen cultuur hartstochtelijk te verdedigen maar in het licht van de eeuwigheid is het wel erg hovaardig en kortzichtig om te zeggen dat cultuur ononderhandelbaar is. Het is ook simpelweg onjuist. Als Willibrord in 690 te Katwijk geen voet aan wal had gezet, hadden we nog steeds de bomen aanbeden (nog veel massaler dan we nu doen) en als we niet door Maximiliaan en Karel V aan onze lurven naar de dijkvakken gesleept waren om die in het algemeen belang te beschermen, dan zaten we nu nog in berenvellen gehuld vanuit onze plaggenhutten ons eigen belang te beschermen. Ook staatsrechtelijk heeft Nederland niet alleen op eigen kompas gevaren, hoezeer we onze stadhouders en Thorbeckes ook met straten en pleinen eren. Pas door Franse interventie hebben we van onze laaglandse lappendeken een eenheidsstaat weten te maken.
Misschien is dat gehamer op de monocultuur wel ingegeven door het idee dat de vroegere bemoeials geen ‘nieuwkomers’ waren – in de zin van immigranten – maar veroveraars. Dat maakt Nederland tot een volgcultuur van de Westerse hoofdcultuur, precies zoals de immigrantencultuur van nu de volgcultuur van de Nederlandse monocultuur is. Maar de overtuigende invloed die joden en hugenoten (geen veroveraars) op ons land hadden, brengt dat weer in twijfel.

Schnabel, Vink en Ephimenco getuigen van een polderblindheid, die verhindert verder te kijken dan de kringen rond de eigen monoculturele navel. Maar zo bedoelen ze het misschien ook helemaal niet. Ze geven zelf toe dat, voor wat betreft de dragende principes, Nederland schatplichtig is aan de westerse cultuur (Vink/Schnabel). (Of willen ze soms beweren dat die westerse cultuur in Nederland ontdekt is? In dat geval zouden we weer wél kunnen spreken van een Nederlandse monocultuur).
Ephimenco maakt het onbedoeld het duidelijkst dat hij niet gelooft in wat hij wil zeggen met zijn kenschets: ‘De Nederlandse monoculturele samenleving, stoelend op westerse joodse christelijke waarden…’ (De Groene, 9-2-2002). Chapeau, Ephimenco! En ik sluit hartstochtelijk aan met de wens: Ik hoop dat Nederland, aangevuld met al die indo-europese, joods-christelijke, bataafs-germaanse, fries-keltische, surinaams-antilliaanse en turks-marokkaanse waarden, op die manier nog jarenlang monocultureel mag blijven.

Rinus Vermuë is filosoof en biologisch boer

14

Rinus Vermuë