Het pseudo-einde van de geschiedenis

door Rinus Vermuë

(1 december 2001)

Wie had dat gedacht! Tot vlak voor 11 september werd Bush jr. als stumper afgeschilderd, hij wist niets van de wereld, noch van economie, en daar bovenop keek hij ook nog eens bedonderd. Maar sinds pre-moderne onverlaten de wereldorde dreigen te verstoren wordt diezelfde stumper door Luuk van Middelaar als een nieuwe Napoleon aangemoedigd om ze de moderne mores te leren (Trouw, 1-12-2001).

plaatje Waar heb ik zoiets eerder gelezen? Dat vol vervoering aanprijzen van de moderniteit, die onvoorwaardelijke aanbidding van een man als Napoleon? Natuurlijk! Bij Hegel! Juist toen Hegel zijn Phenomenologie des Geistes had voltooid, zag hij door zijn raam Napoleon te paard door de straten van Jena trekken. Hegel sidderde van ontzag voor de usurpator, hij wilde wel voor hem door de knieën: ‘Het is onmogelijk hem niet te bewonderen’, schrijft hij aan een vriend.

Sinds Hegel de geschiedenis met zijn synthetische fileermes te lijf ging, waagt niemand zich meer aan een alomvattend filosofisch stelsel. Maar zijn ideeën blijven getuigen van een groots inzicht in de wereldgebeurtenissen. Zo zegt hij ergens (hij had daarbij het feodale Pruisen voor ogen): ‘Elke natie moet op eigen kracht zijn eigen fasen van ontwikkeling doorlopen voordat zij ingrijpt in de algemene samenhang van de wereldgeschiedenis’. Maar om Pruisen voor rede vatbaar te maken was volgens Hegel een helpende hand nodig, een Napoleon, die op zijn beurt weer wordt gestuurd door de ‘hidden hand’ van de rede. Als een volk dan eenmaal gehoorzaamheid heeft geleerd, incarneert het de opgelegde wet als de eigen ‘algemene wil’, waarin de rede zonder omwegen tot uiting komt.

Terwijl de list der rede zich bedient van deze grote mannen die geschiedenis maken zonder het te weten, doorziet de filosoof de rede zonder dat hij geschiedenis kan maken. In 1806 wilde Hegel niets liever dan dat hij die filosoof zou zijn, en Napoleon de finale uitvoerder. De door Napoleon meegebrachte wetten waren Hegel zo welkom dat hij het niet eens erg vond dat zijn huis in vlammen opging. Maar toen Pruisen na de val van Napoleon dreigde terug te vallen tot feodalisme, beklaagde Hegel zich dat Napoleon niet ver genoeg gegaan was, hij zou zelfs, ware de keizer niet geheel ontmanteld, de wapens voor hem hebben opgenomen.

Ook Alexandre Kojčve, de grote boosdoener in Politicide, Van Middelaars met vaart geschreven karikatuur van het Franse denken, besefte dat zowel Hegel als Napoleon hun karwei niet hadden afgemaakt. Het moderniseringsproces dat Hegel voor zich zag vond niet zijn Aufhebung in Napoleons wereldheerschappij. Maar in 1938 ziet Kojčve een herkansing voor de eindstaat, met hemzelf in de rol van Hegel en Stalin als de nieuwe Napoleon - ‘met dit verschil dat ik niet het geluk zal hebben vanuit mijn raam Stalin te paard te zien voorbijkomen, maar enfin’. Volgens Van Middelaar is hier sprake van je reinste projectie: zoals Hegel lonkte naar een baantje als hofdenker van Napoleon, zo ‘verwachtte Kojčve in de jaren dertig en veertig elk moment door Stalin als hoffilosoof naar Moskou te kunnen worden geroepen’.

Zoals bekend heeft dat nooit doorgang gevonden, maar ziedaar, daar werpt Van Middelaar zich als de nieuwe pseudo-Hegel op. In Trouw schrijft hij een drie pagina’s grote filippica tegen alles wat maar een voetnoot durft te plaatsen bij de moderniteit. In zijn slotkolom beklaagt Van Middelaar zich, net als Kojčve 63 jaar eerder, dat Napoleon niet ver genoeg gegaan is, ook hij wil dat achterlijke landen in de moderniteit getrokken worden, en ook hij vindt daarbij het gebruik van geweld geoorloofd. Hij spreekt letterlijk de hoop uit ‘dat Bush zijn werk wél grondig zal afmaken’. Hier is toch wel iets heel merkwaardigs aan de hand!

Ten eerste blijkt onze wijsgeurt zijn eigen beweringen van twee jaar eerder al weer te zijn vergeten. In Politicide verwijt hij de Kojčve-groep nog ‘een voorliefde voor oorlogszuchtige retoriek, een compromisloze hang naar het absolute en een bereidheid het eigen gelijk zo nodig met geweld te halen: precies die eigenschappen die een positief oordeel over de democratie uitsluiten’. Zodra de leer in plaats van Kojčves communisme Bush’ modernisme heet, is elke nuance blijkbaar overbodig. Dan kunnen we plotseling wél onbekommerd spreken van een ‘imperialistische kruistocht’. Over retoriek gesproken!

Als we de parallel met Kojčve verder trekken zou Van Middelaar met zijn oproep niets liever willen dan in het Witte Huis te worden ontboden om daar Bush’ wereldorde klaar te denken, als middelaar tussen de wereld en de rede. Over projectie gesproken!

Van Middelaar spiegelt zich aan Hegel, maar blijft steken op het niveau van een polemicus (komt van polemikos = oorlogszuchtig). Een echte hedendaagse Hegel zou ook de mitsen en maren van de moderniteit in zijn analyse meenemen en oog hebben voor de ‘eigen kracht’. Van Middelaar verdeelt de wereld in twee kampen, met als juiste kamp dat van de modernen. Als iedereen daarin gesleurd is, al is het tegen heug en meug, dan is het karwei geklaard en de geschiedenis ten einde geschoten.

De uil van Minerva begint zijn vlucht pas in de avondschemer, zei Hegel, en sindsdien zijn er telkens weer uilskuikens die zich de filosoof van de eindstaat wanen.

Rinus Vermuë is filosoof en biologisch boer

12

Rinus Vermuë