Het is een waanzinnige en verfoeilijke wereld

door Rinus Vermuë

(1 november 2001)

Sinds 11 september beweert men in fraaie en minder fraaie bewoordingen dat we in een andere wereld leven, met als dieptepunt De Hoop-Scheffers uitspraak dat de wereld nooit meer dezelfde zal zijn – in feite een anglicisme, een letterlijke vertaling van ‘the world will never be the same anymore’. De bedoeling achter dat gepraat over die andere wereld is de waarschuwing dat we niet lijdzaam meer kunnen toezien. Coalities moeten worden gesmeed, terroristen uitgeroeid en de moslims moeten een Voltaire voortbrengen waardoor de Islam eindelijk eens de Verlichting kan doormaken.

plaatje Maar kan je filosofisch gezien wel zeggen dat de wereld anders is?

Het doet denken aan de problemen die de Amerikaanse wetenschapsfilosoof Thomas Kuhn tegenkwam toen hij aan de hand van paradigma’s de structuur van wetenschappelijke revoluties beschreef. Na de copernicaanse wending, zo zei Kuhn, kan de wetenschapper niet meer zeggen dat de zon rond de aarde draait. Al zijn instrumenten laten het zien, al zijn berekeningen wijzen het uit: de aarde draait rond de zon. Hij leeft werkelijk in een andere wereld.

Het kwam Kuhn op flinke kritiek te staan. Het leek er namelijk op dat zo’n overgang van het ene paradigma naar het andere volstrekt irrationeel was. Kuhn schreef dat het alles had van een op een crisis volgende bekering. En redeloosheid, daar houden wetenschappers niet van. Zo’n irrationeel moment tussen de ene wereld en de andere roept bovendien de vraag op in wat voor wereld we leefden ten tijde van dat bekeringsmoment. Of was er dan misschien geen wereld? Kuhn, die zijn term paradigma te pas en te onpas gebruikt zag worden, mede omdat hij het zelf op 21 manieren bleek te hanteren, relativeert al direct zijn gebruik van die ‘andere wereld’: ‘de wetenschapper kijkt na een revolutie nog steeds naar hetzelfde, al heeft hij er tevoren een ander gebruik van gemaakt’. M.a.w. de wereld is dezelfde, maar de theorieën en methoden zijn anders.

Dat lijkt nu ook in politieke zin het geval te zijn: de mensen die in eerste instantie zeiden dat de wereld anders was (ik herinner me Blair in Pakistan), bedoelden eigenlijk dat de theorieën over die wereld anders werden. Leefden we eerst in een betrekkelijk vreedzame periode van ná de val van de muur, na de crisis in New York blijkt de wereld niet zo veilig als we al die jaren dachten. Er liggen vijanden op de loer die het gemunt hebben op de democratie, de vrijheid, op ‘civilized values as we know them the world over’.

Maar wat voor andere theorieën bedachten Blair c.s. dan? De enige omslag die ik bespeur is dat het gevaar nu komt van moslimterroristen (i.p.v. van de communisten) en dat de vijanden die landen zijn die zulke terroristen herbergen (i.p.v. de landen achter het ijzeren gordijn). Commentatoren en adviseurs zien echter nog steeds dezelfde verhoudingen met ‘maar één systeem dat de wereldpolitiek blijvend domineert, en dat is dat van het liberaal-democratische Westen’ (Fukuyama in The Wall Street Journal). De grote hegemoniale theorie waarin de V.S. als wereldleider fungeren en bij wie andere landen de high tech-wapens kunnen kopen is sinds de tweede wereldoorlog nog precies dezelfde.

Wat zou Blair er dan toch toe bewegen om te spreken van een andere wereld? Daarvoor trek ik een andere parallel met Kuhn: volgens deze kenmerkt het nieuwe paradigma zich door een groter probleemoplossend vermogen. Dat is nu precies wat Blair wil doen geloven: dat zijn nieuwe wereldopvatting een groter probleemoplossend vermogen heeft dan een wereldopvatting die uitgaat van een postcommunistische vrede. Wat (volgens Galileï) het copernicaanse wereldbeeld was voor de schijngestalten van Venus, is (volgens Blair) het Angelsaksische wereldbeeld voor het terrorisme: ze lossen het probleem beter op.

Ook in Voltaire’s tijd kende men het probleem van meer mogelijke werelden. Leibniz vond dat elk individu zijn eigen monadische wereldbeeld had, dat bovendien slechts beperkt en onvolkomen was. Dat alle individuen toch in betrekkelijke overeenstemming samenleefden kwam doordat God bij de schepping een van tevoren vastgestelde harmonie had meegeschapen. Daarenboven had God zich hierbij ook nog laten leiden door het goede, zodat gesteld kon worden dat we in de best mogelijke wereld leefden. Dat ontlokte Voltaire cynische regels in ‘Candide’, dat hij schreef na de vernietigende aardbeving te Lissabon in 1755. ‘Wat is dit voor een wereld?’ vraagt Candide na wereldwijd geleden ontberingen aan de meegereisde Martijn. Deze antwoordt: ‘Het is een waanzinnige en verfoeilijke wereld’.

Ik wens de moslimgemeente net zo van harte een Voltaire toe als de westerse gemeente, die de best mogelijke, of de grootst probleemoplossende theorie, van kanttekeningen voorziet. Tot nu toe wordt vooral loyaliteit gevraagd en verkregen, en slechts weinigen hebben de moed de nieuwe wereldorde te bespotten, uit angst voor spelbreker te worden gehouden. Voltaire zou zich verbazen over een zo massale bijval voor de hedendaagse koningen, oorlogen en vergeldingen, en er een geducht pamflet over schrijven.

Rinus Vermuë is filosoof en biologisch boer

11

Rinus Vermuë