Doodsangst

door René den Ouden

(16 februari 2016)

Filosoferen is leren sterven.

Dat zei Cicero. Waarmee hij bedoelde dat wie bang is voor de dood, leeft in onvrijheid. Het komt er dus op aan - een schone taak van ons filosofen - om te leren spreken over de dood. Onze doodsangst vangen in woorden, met taal betekenis geven en ons zo te bevrijden van de slaaf die we zijn van onze eigen doodsangst.

Gisteravond keek ik naar een documentaire over de levenseindekliniek. In deze documentaire zit een indringende scene waarin een vrouw leed aan een zogenoemde semantische dementie, die gekenmerkt wordt door een uiterst progressieve aantasting van het taalcentrum. De taal wordt dermate aangetast dat er allengs minder woorden overblijven om de dingen te benoemen.

Eén van het handjevol woorden waarmee deze vrouw zich nog kon uitdrukken was Huppakee. En zo noemde ze ook steevast haar verzoek om euthanasie.

Met de arts had ze de datum voor de Huppakee in de agenda gezet (als ik het goed zag was dat maandag 16 februari, vandaag precies een jaar geleden dus). Op die dag was ze er klaar voor, omringd door manlief, moeder en zus.

“Wil je nog koffie drinken of wil je weg?,” vroeg haar man.
‘Nou, Ik kan nu best wel Huppakee, klaar zijn,’ zei de vrouw.

En zo geschiedde. De arts zette de spuit. De man van de vrouw hield haar innig vast en knuffelde haar: ‘Doei, ga maar lekker weg.’
‘Goeie reis,’ zei de arts en hij spoot langzaam de vloeistof naar binnen.

De vrouw ademde rustig in en uit en ging toen, bijna ongemerkt, met een laatste stil snurkend zuchtje over de drempel…Huppakee.

Onwillekeurig gleed dit beeld van deze stervende vrouw over het beeld van mijn vader; toen ik, deze maand ruim dertig jaar geleden, mijn vader middels euthanasie aan een zachte dood hielp. Hoe ik naast hem zat, kijkend naar zijn zieke lijf verkrampt van pijn, hoe ik zag dat de arts het euthanaticum toediende en hoe ik staarde naar het langzaam stilvallende kloppen van mijn vaders halsslagader en hoe ineens in een ondeelbaar moment het leven wegtrok en de dood intrad. Zijn lichaam ontspande, de pijnrimpels trokken glad en hij – althans zijn lijk - werd in letterlijk één ogenblik een jonge vent van pakweg dertig jaar.

Dit beeld van het sterven van mijn vader is voor mij sindsdien een oerbeeld van de dood: het onkenbare, ondeelbare en onaanraakbare; maar ook de verstilling, de haast serene schoonheid ervan.

Ik kan daar een andere ervaring naast zetten. Van een geboorte. Enkele jaren geleden was ik op gepaste afstand getuige van hoe mijn zus ging bevallen van haar eerste kind. Ik zie mezelf nog zitten op een kruk op de gang van de afdeling verloskunde van het ziekenhuis. Het leek alsof ik zat te wachten in de hal van een abattoir. Ik had uitzicht op drie plastic klapdeuren. Achter één van die deuren lag mijn zus in barensweeën. Het gekerm van drie vrouwen achter drie deuren, soms aanzwellend tot oorverdovend gekrijs, ging door merg en been. Zo nu en dan zag ik door één van die flapdeuren een verpleegkundige met bebloed schort naar buiten komen stiefelen. Ze keek erbij alsof ze zojuist een varken had geslacht en nu even haar handen ging wassen.

Als we het beeld van het serene verstilde glijden in de dood plaatsen naast het ijzingwekkende krijsen op het slachtveld van de geboorte: waar komt dan onze doodsangst vandaan? Waar moeten we dan nog bang voor zijn?

Het grote verschil is denk ik dit:

Geboorte is het verschijnen in de wereld, sterven is het verdwijnen van de wereld.
En waar ga je dan naartoe? Of waarin verdwijn je?

Zolang ik er ben, is de dood er niet,
en wanneer de dood er is, ben ik er niet.


Dat zei Epicurus.

Dus wat hebben we met elkaar te maken, die dood en ik? Bovendien: is het niet onzinnig om ons hier druk om te maken, om bang te zijn voor iets waarvan we allemaal zeker weten dat het komt?

Nu we toch bezig zijn die Oude Grieken van stal te halen…Volgens Socrates had de ware filosoof sterven als beroep en was het zijn taak om ons, gewone stervelingen, te leren de dood beheerst, onbevreesd en opgewekt tegemoet te treden. Volgens Socrates is het namelijk van tweeën één. Of de dood is een vernietiging. Of de ziel verhuist naar een ander oord. In het eerste geval hebben we niets te vrezen, want als we vernietigd worden hebben we daar geen besef van en staat ons een lange droomloze slaap te wachten. In het laatste geval ontmoeten we, volgens de voorstelling van Socrates, in dat ander oord weer al onze oude Griekse helden met wie we in gezelschap van onze overleden vrienden genoeglijke gesprekken kunnen voeren….

Waarvan akte. Doodsangst aan de kant. En onbevreesd en opgewekt die laatste deur door!
Maar Socrates had mooi praten toen met zijn opgewektheid. Toen was de wereld, zijn wereld nog overzichtelijk met een marktplaats en wat ronddolende jonge knapen die hij het bed in lulde. Die wereld van Socrates werd dus kennelijk in zijn voorstelling gespiegeld in de dodenwereld van de Hades, de onderwereld.

Maar dan onze wereld weerspiegeld in een ander oord, een hiernamaals dat wij dus de hemel – de bovenwereld – noemen? Ga er maar aan staan, vandaag de dag. Met globalisering, drie wereldgodsdiensten die elkaar het kot uitvechten en toenemende onverdraagzaamheid in onze multiculturele samenleving, waarin we al hysterisch beginnen te krijsen als het gaat om een plekje in een opvangcentrum.
Ik bedoel: daar sta je dan in het uur van je dood met de deurklink in je hand….wat ligt er achter die laatste deur?

Een christen is er niet zo zeker van wat hem daar wacht: hemel of hel. Dat moet nog maar blijken, welke afslag het Opperwezen je instuurt, al naar gelang of je geslaagd bent voor je examen op aarde. Dat heeft de christelijke leer ons goed ingepeperd: de doodsangst flink voeden met besef van zonde en het mogelijke visioen van eeuwig branden in de hel. Stap dan maar eens opgewekt die deur door.

Dan hebben die fundamentalistische islamisten met hun doodscultuur het beter bedacht. Die gaan onverschrokken naar de overkant. Want achter die deur wacht een paradijs met 72 maagden. Naar verluidt had één van de zelfmoordterroristen in de Bataclan in Parijs zijn piemel grondig schoongewassen en omwikkeld met toiletpapier zodat hij, als hij later die avond zou arriveren in het Paradijs, ongeschonden en schoon zijn buit van 72 maagden kon consumeren…

Ik geloof niet in hiernamaals, laat dat voorop staan.

Maar stel, stel beste Socrates dat je gelijk hebt met je afspiegeling van onze wereld als voorstelling van het hiernamaals…

Je opent die laatste deur, je glijdt er doorheen, je valt in het licht en dan…huppakee…ineens tuimel je in hemelse tuinen waar je alle bekenden terugziet….een soort superreünie…Klinkt mooi, maar stel je voor…ik ontmoet mijn ouders…mooie gedachte maar ondertussen weet ik dan ook dat ze ‘daarboven’ al die tijd hebben zitten meegluren met alles wat ik op aarde heb uitgespookt... Big Brother in optima forma! Goed… je tuimelt verder en treft een paar goede vrienden die veel te vroeg in de muil van de dood zijn verdwenen. ‘Biertje?’ Fijn, en je klinkt en drinkt en je zweeft weer door…over de eeuwig ruisende velden, verlost van het aardse tobben… maar voor je het weet kom je weer je oude leraar wiskunde tegen die altijd uit zijn bek stonk... Of erger nog die ene ex, die je op aarde koortsachtig vermeed, die je nu nog even fijntjes wijst op het feit dat je nooit mee wilde naar haar spirituele tantralessen en dat ze - zie je wel, zie je wel, ik had toch gelijk - dat ze je nog even inpepert dat er leven is na de dood….leven na de dood… en in dat zwevend leven na de dood, in dat hemels paradijs kan het zomaar gebeuren dat je stuit op de gedaante van een norse onheilspellend kijkende man, laten we hem Schopenhauer noemen, die roept ‘het allerergste komt nog’ en dat je ziet wat ie bedoelt als je verder tuimelt en ongemerkt in de woestijn van het paradijs belandt waar uitgewoonde maagden omringd worden door talloze piemels zwevend op een tapijtje van popla toiletpapier…en die piemels worden op hun beurt weer geroepen door de lokroep van een stel opgefokte mannetjes die in een uithoek staan te schreeuwen ‘daar moet een piemel in….’…en…

Gekkenhuis daarboven, als je het mij vraagt.

Als ik dus al ergens bang voor ben, dan is het voor dit: dat ik niet gewoon lekker kan verdwijnen van de wereld, maar dat op dat verdwijnen ineens een verschijnen volgt in een hiernamaals dat verdomd veel lijkt op dit ondermaanse tranendal.

We gaan uiteindelijk allemaal dezelfde weg. En aan het einde wacht dus die laatste deur. Waar we allemaal doorheen moeten. Ik ben niet bang voor wat er achter ligt, althans ik laat me niet leiden door die angst. Ik koester mezelf gelukkig met wie er met mij meeloopt en mijn hand vasthoudt tot aan die deur. Of andersom: ik loop met haar mee en houdt haar hand vast. Of misschien gaan we wel samen hand in hand die deur door. Ooit…

Ik zie mezelf staan op een mooie lentedag in mei. Ik kijk door het raam naar buiten en zie mijn prachtige, lieve vrouw in de tuin bezig met het schoonmaken van een vogelhuisje. Want de vogeltjes moeten in dit voorjaar een schoon nestje krijgen. Ik zie hoe zij met engelengeduld de plankjes stuk voor stuk schoonveegt, zachtjes wrijvend, langzaam, haar slanke vingers broos en krachtig tegelijk…

En in dat verstild moment, waarin ik steels naar haar kijk, klinkt in mijn hoofd een lied van Bach:




Bist du bei mir, geh’ ich mit Freuden
zum Sterben und zu meiner Ruh’.
Ach, wie vergnügt wär so mein Ende,
es drückten deine schönen Hände
mir die getreuen Augen zu.



101 / Laatst gewijzigd: 03-Maa-2016