Good guys vs. bad guys

door Rinus Vermuë

(1 oktober 2001)

Wie zijn wij en wie zijn jullie? En wie horen bij het goede en wie bij het kwade?

Door de aanslagen in de V.S. besefte ik dat er nog steeds gebeurtenissen zijn die onze aarde kunnen doen beven. 11 september schudde onze wereld zo hevig dat allerlei tweedelingen die ons, nietsvermoedende burgers, zo vanzelfsprekend voorkwamen, ook op losse schroeven zijn komen te staan. We kunnen niet steunen op onze oude registers en overgaan tot de orde van de dag. Het is nodig opnieuw ons standpunt te bepalen, ons wereldbeeld te herschikken, misschien zelfs ons systeem te herzien.

plaatje Maar in tijden van chaos is men nog niet toe aan nieuwe inzichten. Integendeel, men verlaat zich op de diepst uit de onderbuik opborrelende stellingen, waarvan men weet dat die de handen op elkaar krijgen en de neuzen één kant op. Zo begon Bush zijn eerste toespraak met het uitroepen van een oorlog van goed tegen kwaad. “And we shall win this war”. Gek genoeg liet hij in het midden of hij zichzelf nu bij de goeden of bij de slechten schaarde. Zoiets lijkt evident te zijn. Wij zijn goed en zij zijn slecht. Een aldus aangebrachte zwart-wit scheiding tussen goed en kwaad is de onzichtbare steunpilaar voor het getroffen volk om standvastig de vijand (hunnie) te lijf te gaan.

Akkoord. De eerste dagen kan een huisvader zulke simpele tweedelingen debiteren om de woede te verwoorden en de rouw te kanaliseren. Stelt niet ieder mens zich bij een misdaad Kushners vraag: “Waarom het kwaad goede mensen treft”? Maar de 21ste eeuwse mens moet denken voorbij zo'n simplificatie. Kunnen we het kwaad exclusief situeren in de ander, kunnen we doen alsof we er absoluut buiten staan?

In een wereld van toenemende migratiestromen en botsende beschavingen komt het er meer dan ooit op aan de wenselijke fundamentele eigenschappen van de mens onder ogen te zien. Eén van die eigenschappen is volgens de Canadese filosoof Charles Taylor (1932) dat het menselijk bestaan in wezen dialogisch is. Altijd zijn er volgens hem “significante anderen” (de term komt van George Herbert Mead) waarmee wij in interactie/dialoog zijn en die blijvend doorklinken in wat wij zeggen, voelen en doen – zelfs wanneer we in onze zelfgenoegzaamste uurtjes ons authentieke zelf denken te zijn, zelfs wanneer die ander reeds lang over de einder verdwenen is.

Met de stelling dat de mens wezenlijk dialogisch is, zet Taylor zich af tegen individualistische opvattingen, als zou iemand zonder de anderen, dat is monologisch, zichzelf kunnen definiëren. De stelling is ook in te zetten tegen mensen die denken in termen van wij en zij, zoals Sylvain Ephimenco in een open brief aan de moslims van Nederland (Trouw, 29-10-2001). Deze schrijft dat polarisatie dreigt, maar brengt in zijn brief zo'n polarisatie aan met zijn "jullie" versus "bange burgers", dat overbrugging kansloos lijkt. Hij zet "jullie, moslims" aan tot zelfonderzoek zonder “ons" daarin te betrekken. Dialoog komt in zijn brief dan ook niet voor.

Ik wil niet zeggen dat alles maar geaccepteerd moet worden. Men moet zich oprecht verontwaardigd kunnen voelen over El Moumni's of juichende Edenaren (die niet juichten). Maar na de verontwaardiging moet de dialoog gezocht worden (waartoe Ephimenco gelukkig ook is overgegaan) om de verschillen te boven te komen. Niet teneinde de verschillen te versmelten in de Nederlandse polderhorizon. Nee, aldus Taylor, "de ‘samensmelting van horizonten’ gaat werken doordat wij een nieuw vergelijkend vocabulair gaan ontwikkelen waarmee wij deze tegenstellingen kunnen verwoorden”. Op grond van nieuwe waardebegrippen kunnen we komen tot beter op de samenleving toegesneden normen en waarden. Hullie alles alleen laten uitzoeken werkt niet. Burgemeester Cohen sprak in zijn prachtige Abel Herzberg-lezing in de beste filosofische traditie: “Bij een toename van het aantal allochtonen dat mee wil doen, meedoet en ook mee mag doen aan de maatschappelijke ontwikkelingen in Nederland, neemt ook de kans toe dat hun ideeën zullen worden opgenomen in de hoofdstroom van Nederlandse wetten en regels. Daarmee verandert onze samenleving, daarmee worden onze grenzen hun grenzen, daarmee worden hun grenzen onze grenzen”.

In de dialoog die tot deze nieuwe grenzen voert, moeten wel de vooroordelen opgeschort worden. Men zou bijvoorbeeld ervan uit moeten durven gaan dat iedere cultuur, ieder mens zijn kwaaie kanten kan hebben – of misschien gewoon heeft. “De scheidslijn tussen goed en kwaad loopt dwars door het hart van ieder mens”, schrijft Solzjenitsin ergens. Het is dan ook onzinnig om een jihad of een “operation enduring freedom” tegen het kwaad bij de ander te voeren. Maar even onzinnig zou het zijn vanuit onze bevoorrechte en gearriveerde positie de ander tot zelfonderzoek te dwingen, zonder ook onszelf in het geding te brengen.

Persoonlijk vind ik het dan ook jammer dat de Washington Post juist Ephimenco's brief publiceerde als Nederlands staaltje van maatschappelijke dialoog, en niet de lezing van Cohen.

Rinus Vermuë is filosoof en biologisch boer

10

Rinus Vermuë